Als een echte regent verzamelt hij ambten

Joan Huydecoper van Maarsseveen is onder andere president van de commissie der zandpaden.

In zijn boek Het huis Bartolotti en zijn bewoners (1979) is Gustav Leonhardt onverbiddelijk. „Voor mij althans is het geen genoegen”, schrijft hij, „onderzoekingen te verrichten omtrent personen die geen stempel op de historie van ons land, noch op kunst of wetenschap gedrukt hebben, en die niets bijgedragen hebben tot de materiële glorie van dit huis. Integendeel.”

Daarmee deponeert Leonhardt – wereldberoemd organist, klavecinist, dirigent, ijveraar voor oude muziek en huurder van het achterhuis tot zijn overlijden begin 2012 – alle mensen die in de negentiende eeuw in huis Bartolotti hebben gewoond, op de vuilnishoop van het verleden.

Een van de eerste bewoners van die eeuw is Joan Huydecoper van Maarsseveen. Onder zijn voorvaderen bevinden zich de Joans, die Leonhardt ongetwijfeld interessanter zou hebben gevonden: de Joan (1599-1661) die als burgemeester van Amsterdam bemoeienis had met de bouw van het stadhuis, het tegenwoordig Paleis op de Dam. Of de Joan (1625-1704), die dertien keer burgemeester van Amsterdam was en bewindhebber van de Vereenigde Oostindische Compagnie.

De Joan van het Bartolottihuis (1769-1836) leeft in roerige tijden; in zijn levensjaren wordt Nederland een paar keer wedergeboren. Als jonge patriciër is hij bij het stadsbestuur betrokken op het moment dat de Franse revolutie in 1795 overslaat naar Nederland en de Bataafsche Republiek wordt afgekondigd.

Joan Huydecoper wordt uit zijn functie ontheven en trouwt in dat eerste jaar der vrijheid voor de tweede keer. Zijn eerste vrouw, Maria, is gestorven toen ze 21 was. Zijn tweede, Sophia, komt in elk geval uit de bewaard gebleven administratie naar voren als een vrouw met smaak. Ze bestelt in Brussel karaffen, glazen en servies met diamant-motief. Ze koopt een gingange japon (geblokt als een picknicklaken), drie hoeden met lint en eentje met een zwartkanten voiletje. Aan Margie Hartman betaalt ze 2,40 gulden omdat die „4 broeke heeft omgeset en 30 cts aan lint en hakies”.

Niet alle rekeningen uit het archief-Huydecoper komen van chique winkels uit Brussel of van de Amsterdamse diamantair Truffino. Er is ook een stapel bonnetjes van bakker Houthuys, die om de drie dagen stapels ‘wijtebrood’ brengt en ‘roggebrood’ voor de paarden. Die paarden staan niet in het grachtenpand maar in kasteel Groeneveld te Baarn, dat ook van hem is.

Tegen de tijd dat Nederland van de Franse invloed is verlost, kan Huydecoper weer openbare functies bekleden. Als een echte regent verzamelt hij ambten, zoals dat van vice-mayre van Amsterdam. Hij wordt een van de directeuren van de pas opgerichte Nederlandsche Bank. En hij is tot aan zijn dood „president van de commissie der zandpaden tussen de steden Amsterdam, Weesp, Muiden en Naarden”, in welke hoedanigheid hij verantwoordelijk is voor het storten van grofpuin, lekzand en steigeraarde op het lokale wegennet.

In 1836 bereidt hij een reis voor naar het Rijnland, Zwitserland, Sardinië en Frankrijk – in gezelschap van zijn derde vrouw, Johanna, zijn nicht, een kamermeisje en dienstknecht Pieter Mols. In een couvert van dik, royaal versierd papier zit zijn laatste reisdocument, waarop koning Willem I laisser passer vraagt voor monsieur le chevalier Joan Huijdecoper de Maarsseveen. Hij is dan 67 jaar oud, heeft volgens zijn paspoort blauwe ogen, grijze wenkbrauwen, een rechte neus en gepoederde haren. Hij zal Italië nooit bereiken. In Baden-Baden blaast hij de laatste adem uit.

Hij laat 2,4 miljoen gulden na, waarvan zijn zoon Jan Elias het meeste erft, inclusief het „Huis op de Heerengracht over de Driekoningenstraat”, dat volgens de notaris 20.000 gulden waard is.