Zwijgen tegen de klippen op

Laura Starink en Jan Brokken schreven ieder over de lotgevallen van gewone mensen in de Tweede Wereldoorlog. Het succes van hun boeken bewijst dat er te lang gezwegen is en dat velen zich nog altijd schamen voor toen.

De moeder van Laura Starink kookte nooit Duits. Ze zette liever iets Italiaans op tafel dan gerechten uit de Oost-Duitse streek Silezië, waar ze in 1924 geboren was. Elinor Cibis was in 1950 in Nederland aangekomen en getrouwd met Jan Starink. Ze deed haar best om zo snel mogelijk in te burgeren. Met haar kinderen sprak ze geen woord Duits. „En over haar jeugd tijdens de oorlog was ze stil”, zegt Starink (1954). „Het was geen onderwerp waar je trots op was. En bovendien had ze het idee dat wij het toch niet zouden begrijpen.”

En de jonge Laura was eigenlijk ook niet geïnteresseerd in het oorlogsverleden van haar moeder, zegt ze nu. Die belangstelling kwam later, nadat ze Slavische talen had gestudeerd en als journalist voor NRC Handelsblad onder meer correspondent in Rusland was geweest. Starink reisde de afgelopen jaren een aantal malen naar Silezië en sprak met Elinor en haar zussen en broer over hun jeugd in de Oost-Duitse streek die na de oorlog werd ingelijfd door Polen. Dat onderzoek resulteerde begin dit jaar in Duitse wortels. Mijn familie, de oorlog en Silezië.

De eerste reis naar Silezië maakte Starink in 1994, met haar moeder. „Ze was er niet meer geweest nadat ze in 1944 was vertrokken naar Zwitserland om een kuur tegen tuberculose te doen. Het was van de communisten en ze wilde er niet meer heen. Toen de Muur openging, was Polen weer toegankelijk voor mensen uit het westen. Dat excuus om niet te gaan verviel dus. Ik heb haar uitgebreid geïnterviewd tijdens die reis. Niet omdat ik er een boek van wilde maken, maar omdat ik de geschiedenis voor de familie wilde bewaren.”

Elinor Starink overleed in 2008. Aan haar sterfbed haalde Laura herinneringen op aan de reis die ze samen hadden gemaakt. „Dat was voor mij een zeer dierbare herinnering. Maar mijn moeder reageerde afwijzend: oh, die vreselijke reis.” Het weerzien met Klausberg, het stadje waar Elinor opgroeide en dat na 1945 was omgedoopt tot Mikulczyce, viel dan ook niet mee. Het huis van de familie Cibis stond er nog, maar was in slechte staat. Laura belde aan en de bewoonster liet de Nederlandse bezoekers binnen. „Mijn moeder schrok zich wezenloos en kon dat tot mijn grote afschuw niet verbergen tegenover die Poolse die ons vriendelijk op de koffie uitnodigde.”

Nog meer spanning leverde een bezoek aan Auschwitz op. Het kamp ligt op slechts zestig kilometer van Mikulczyce. Starink: „Ze liep daar rond met een soort verzet. Ze straalde uit: verdomme,waar zadel je me mee op? Jij dwingt me hier te zijn, maar het is niet mijn schuld dat dit gebeurd is. Ik heb dit niet gedaan. Dat sentiment speelt in het boek een belangrijke rol. De generatie van mijn moeder was nergens schuldig aan, maar werd er wel op aangekeken. Hoe gingen ze daar mee om?”

Het overlijden van haar moeder zette Starink ertoe aan ook de verhalen van haar tantes Lotte, Inge, Bärbel en Hanne en haar oom Hans op te tekenen. Elinor was door haar kuur in Zwitserland ontkomen aan de Russische verovering van Silezië, maar haar ouders en Geschwister belandden in een hel. Elinors moeder overleed enige maanden na de komst van de Russen, compleet verzwakt door een gebrek aan voedsel en de lange voettochten die ze had gemaakt om aan het Rode Leger te ontkomen. Alois Cibis, Elinors vader, overleed in 1947. De kinderen stonden er alleen voor.

Starinks tante Lotte vertelde haar dat ze in 1945 enige tijd in Auschwitz-Birkenau had gezeten. De Russen gebruikten na de bevrijding het beruchtste vernietigingskamp van de nazi’s om er Duitse dwangarbeiders te huisvesten. Ze moesten omliggende fabrieken demonteren en op de trein naar de Sovjet-Unie zetten.

Lotte is dankbaar dat haar verhaal op papier is gezet, zegt Starink. „Ze heeft iets van: zie je wel, het is echt gebeurd. De keren dat ze het aan mensen verteld heeft, keken die haar aan alsof ze het verzonnen had. Alsof dat verhaal geen bestaansrecht had.”

Zus Inge zat aan het einde van de oorlog in West-Duitsland, maar besloot dwars door alle bezettingszones en grenzen terug te reizen naar Silezië om haar familie te helpen. Elinor bleef in Zwitserland, waar ze aan een studie kunstgeschiedenis begon. Starink: „Dat mijn tante naar Polen was gegaan, hoorde ik pas van haar toen mijn moeder al was overleden. Ik heb mijn moeder wel gevraagd waarom ze niet is teruggegaan toen de oorlog voorbij was. Ze zei: ben je gek?

Duizend kilometer door de Russische zone zonder geld en papieren, zo moedig was ze niet. Mijn tante Inge heeft een andere keuze gemaakt. Zij heeft het mijn moeder altijd kwalijk genomen en ik denk dat mijn moeder zich er schuldig over heeft gevoeld.”

In 1950, vlak voordat het IJzeren Gordijn voor veertig jaar dichtging, besloten de overige kinderen Cibis ook naar het westen te gaan. Hun huis was ze door de Polen toen al afgenomen. Het ouderloze gezin kwam terecht in de buurt van de Nederlandse grens en Starink ging als kind regelmatig bij hen op bezoek. Haar jongste tante Hanne is maar tien jaar ouder dan zij. Ze kan zich van de oorlog en de periode erna maar weinig herinneren.

De geschiedenis van haar familie zoals die in Duitse wortels te lezen valt, is meer dan een petite histoire, zegt Starink. „Het is een ongelooflijk verhaal, maar ook een verhaal van dertien in een dozijn. Dit overkwam miljoenen mensen na de oorlog. In Nederland was de oorlog in 1945 voorbij, maar in Oost-Europa hebben nog vijf jaar lang gedwongen volksverhuizingen plaatsgevonden.”

Is haar familie op enige manier medeplichtig geweest aan de misdaden die Hitler uit naam van het Duitse volk beging? Starink denkt het niet. „Ze wisten allemaal van het bestaan van concentratiekampen. Maar de hele samenleving was gemilitariseerd. Mijn moeder zat zelf ook in een kamp, van de Arbeitsdienst. Het was voor hun op een bepaalde manier normaal.”

Of ze van de Holocaust geweten hebben, kan Starink niet zeggen. „Mijn moeder zei dat hun wereld heel klein was in de oorlog. Ik geloof dat wel. Ik vroeg aan mijn tante Lotte of ze na haar terugkomst uit Auschwitz ooit met haar vader heeft gesproken over wat er daar gebeurd was. Nee, daar waren we helemaal niet mee bezig, antwoordde ze. De Duitse inwoners van Silezië waren van het Herrenvolk opeens de gebeten hond geworden, alles was onzeker. Ze moesten zien te overleven. Dat er uit jouw naam oorlogsmisdaden zijn gepleegd, is dan wel het laatste waar je mee bezig bent.”

Het moest meer worden dan alleen een dorpsgeschiedenis. Dat nam Jan Brokken (1949) zich voor toen hij besloot een boek te schrijven over de dramatische gebeurtenissen die zich tijdens de Tweede Wereldoorlog hadden afgespeeld in Rhoon, het plaatsje onder de rook van Rotterdam waar hij opgroeide. Door sabotage vond daar in 1944 een Duitse soldaat de dood, waarna de bezetter als represaille zeven mannen executeerde.

In De vergelding. Een dorp in tijden van oorlog reconstrueert Brokken deze ramp met grote nauwkeurigheid. „In een oorlog komen dingen die in vredestijd ook spelen – zaken die te maken hebben met trouw en achterdocht, met hebzucht en solidariteit – zeer geconcentreerd naar voren. Ze zijn zo heftig en krijgen zoveel smoel dat dingen veel duidelijker worden. Zo kan de geschiedenis van een dorp een universeel verhaal worden.”

De vergelding was nog geen week uit toen de eerste brieven bij Brokken op de mat vielen. Zijn verhaal had een snaar geraakt. Het boek schoot naar de eerste plek op de bestsellerlijsten. Het drama in Rhoon resoneerde bij mensen in het hele land en van alle leeftijden. „Jonge mensen met wie ik spreek, vragen zich af wat ze zelf zouden doen in zulke omstandigheden. Ze stellen zich echt gewetensvragen.”

In Rhoon waren de reacties op het verschijnen van de oorlogsgeschiedenis van het dorp verschillend. „Veel mensen waren verbaasd. Ze wisten niet dat het zo gegaan was. Maar waren er ook die vonden dat ik niet in de stront had moeten roeren. Mijn vroegere overbuurman zei me: waarom praat je met de moffen mee, Brokken?”

In De vergelding neemt Brokken namelijk afstand van het traditionele verhaal zoals het in Rhoon altijd is verteld. Volgens dat verhaal was in oktober 1944 door een storm een elektriciteitskabel losgeraakt. De Duitse soldaat Ernst Lange, die met een aantal kameraden en meisjes uit het dorp aan het wandelen was, liep in het donker tegen het draad op en werd geëlektrocuteerd. Een ongeluk dus. Toch besloten de Duitsers uit wraak zeven dorpsbewoners dood te schieten. Brokken: „Ik kom tot de conclusie dat het geen ongeval was, maar dat de draad expres over de weg was gehangen. Precies wat de Duitsers beweerden.”

Brokken en zijn researcher Bert Euser spraken in totaal met vierhonderd mensen die iets wisten over de dood van Ernst Lange en de gevolgen daarvan. Tweehonderd ervan kwamen in het boek terecht. „Als je zo’n boek op de getuigenissen van vijf of tien mensen baseert, dan vraag je om ongelukken”, zegt Brokken. „Daarnaast hebben we alle verklaringen onderzocht en afgezet tegen ander materiaal.”

Hij legt uit waarom. „Mensen kunnen zich collectief zaken verkeerd herinneren. Dat bleek direct al bij het onderzoek naar de vraag of het sabotage was of niet. Zeker vijftien mensen zeiden dat het heel erg gestormd had op de dag van de dood van de Duitse soldaat. We hebben toen het archief van het KNMI opgevraagd. En wat bleek? Het was die dag windkracht drie geweest en zonnig. De storm waar mensen het over hadden, was ruim een maand eerder. En toch herinnerden mensen het zich zo. Omdat ze wilden dat het een ongeluk was dat die draad over de weg hing en geen opzet.”

Het merendeel van de interviews is gedaan door Bert Euser, een voormalige buurjongen van Brokken. De gesprekken waarbij hij zelf aanwezig was, verliepen veelal volgens eenzelfde patroon, zegt de schrijver. „Wanneer ik binnenkwam, zeiden mensen: nou, ik weet niet veel. Maar als je gerichte vragen stelde, dan ging er een deksel open waaronder het kookte. Ze hadden het zolang verdrongen, maar op het moment dat ze gingen nadenken, kwam er heel veel uit. Ook details die voor mij als schrijver belangrijk waren.”

Brokken leerde tijdens het onderzoek voor De vergelding dingen over zijn dorp die hij niet voor mogelijk had gehouden. Bij een bijltjesdag na de bevrijding was een aantal moffenmeiden kaal geschoren. Er bleek een lijst van dertig vrouwen te zijn opgesteld die met de bezetter hadden geheuld. „Zoveel moffenmeiden in Rhoon? Daar had ik nooit over horen spreken.”

Ook ontdekte hij dat van de aanvankelijke gijzelaars er een was vrijgekocht door zijn vader, voor twee varkens. „Dat betrof de zoon van een rijke tak van een Rhoonse boerenfamilie. In zijn plaats werd er iemand van de arme tak gefusilleerd. Toen begreep ik meteen waar de onmin tussen herenboeren en arme tuinders vandaan kwam. Dat heeft de verhoudingen in het dorp volledig verziekt.”

Uiteindelijk komt Brokken met de namen van drie mannen die verantwoordelijk kunnen zijn geweest voor de sabotagedaad die zulke noodlottige gevolgen had. Eén van hen was een vooraanstaand lid van het verzet, die daarmee dus verantwoordelijk zou zijn voor de dood van zeven dorpsgenoten. „Ik wil absoluut niet het verzet zwart maken”, zegt Brokken. „Ik heb geprobeerd iedereen te begrijpen. Niemand is opgeleid om verzetsrijder te worden. Sommigen hebben in hun enthousiasme fouten gemaakt. Maar het is natuurlijk ook gevaarlijk: de rechtsstaat was weg en het verzet ging eigen rechter spelen. Daarbij zijn soms dingen verkeerd gegaan.”

De lezer moet uiteindelijk zelf beslissen wie hij denkt dat de sabotagedaad gepleegd heeft. Brokken: „Ik ben er voor negentig procent zeker van wie het is, en ik stuur het ook wel een bepaalde kant op. Tenzij er nog ergens bij een notaris een verklaring ligt waarvan ik geen weet had, is dit het verhaal over wat er tijdens de oorlog in Rhoon is gebeurd.”

Brokkens vader was dominee in Rhoon. Zijn voorganger was fout geweest, ontdekte Brokken tijdens het onderzoek. Van zijn vader had hij daar niets over gehoord. „Thuis spraken we niet veel over de oorlog. En als het er over ging, dan ging over de oorlog in Nederlands-Indië, waar mijn ouders en broers in een Jappenkamp hebben gezeten.”

Ook op school werd niet veel over de bezettingsjaren gesproken. „We hoorden het traditionele verhaal over het ongeluk met de elektriciteitskabel. De Watersnoodramp van 1953 speelde een veel grotere rol in het collectieve bewustzijn. Dat was dé ramp waardoor Rhoon getroffen was, hoewel er maar drie doden waren gevallen. Alle emoties die niet getoond mochten worden over de oorlog, werden op de ramp geprojecteerd. Ik vond dat niet bevredigend; er was in het dorp toch meer gebeurd dan alleen die ramp? Daar wilde ik het fijne van weten. Met het schrijven van De Vergelding heb ik eindelijk antwoord gekregen op de vragen waarmee ik toen al rondliep.”