Woorden als goocheltrucs

Theodor Holman Foto David van Dam

Een oplichter die zichzelf illusionist noemt en in zijn levensonderhoud voorziet met een ‘verdwijntruc’ die in normaal Nederlands zakkenrollen heet, is de aandoenlijke hoofdpersoon en vaderfiguur in Theodor Holmans nieuwe roman De grootste truc aller tijden. Zoals de meeste romans en verhalen van deze sterke stilist en cynische humorist heeft ook dit tragikomische goochelboek een autobiografische inslag.

Evenals in Hoe ik mijn moeder vermoordde (1999), Het blijft toch familie (2001) en Tjon (2007) draait het hier weer om een Indisch gezin in Amsterdam dat de verschrikkingen van de Jappenkampen nooit heeft kunnen verwerken. Maar hoe ouder Holman (1953) wordt, hoe geraffineerder hij de op hem overgedragen ouderlijke trauma’s fictionaliseert. Was Tjon nog het portret van een tweede-generatieslachtoffer, waarin het pathetische zelfbeeld van de aan depressies lijdende schrijver karikaturaal werd uitvergroot, in De grootste truc wordt het slachtofferschap als zodanig in twijfel getrokken en geridiculiseerd.

Wie zoiets aandurft, moet van goeden huize komen en dat doet Holman. De verhalen over de Jappenkampen, de Birma-spoorlijn en de Nederlandse onverschilligheid jegens de Indische oorlogsslachtoffers kent hij van huis uit, wat hem in staat stelt er superieur de spot mee te drijven. Overigens zonder zijn eigen vader zwart te maken, want van een realistische vader-zoonrelatie is in de roman geen sprake. Of – in enigszins karikaturale vorm – toch wel?

Holmans echte vader, een voormalige assistent-resident in Nederlands-Indië, was een Multatuliaan en dat is de vader in de roman, de goochelaar Ising, ook. Sterker, de megalomane illusionist, fantast en vrouwengek met zijn bizarre pseudoniemen is zelf een soort Multatuli, zonder diens genie. Na de oorlog is hij met zijn vrouw Maria en zoontje Jopi berooid uit Indië teruggekomen in Amsterdam, waar hij met allerlei kunstgrepen de kost verdient.

Merkwaardig genoeg ontwikkelt de zoon van deze creatieve scharrelaar zich tot een angstige brave Hendrik, of – om de analogie vast te houden – een fantasieloze Droogstoppel. Na zijn eindexamen gymnasium vindt hij werk op een accountantsbureau waar hij meer verdient dan zijn vader met zijn goocheltrucs.

Geloof en geld

Het verschil tussen vader en zoon komt naar voren in hilarische, maar net zo goed fundamentele discussies over kwesties als geloof, geld, godsdienst, kunst en literatuur als vormen van illusie. De vader acht het zijn roeping iets onmogelijks te maken, ‘iets wat niet kan’ en als de zoon vraagt waarom hij dat wil, luidt het antwoord: ‘Omdat dat schoonheid is’. Dat begrijpt de zoon niet, zoals hij ook het adagium van zijn vader ‘De roeping van de mens is geen mens te zijn’ niet kan vatten. Toch is deze verbastering van Multatuli’s bekende aforisme geen slechte beeldspraak voor een godgelijke scheppende kunstenaar.

Net als Droogstoppel, die er uiteindelijk voor zorgde dat Max Havelaar werd geschreven, is de zoon van de goochelaar niet alleen maar saai en nuchter. Weliswaar bespot hij zijn vaders gegoochel, hij noemt hem ook ‘tovenaar’, de naam die de kinderen van schrijver Thomas Mann aan hun briljante vader gaven.

Jopi leerde lezen in het Jappenkamp waar zijn moeder verhaaltjes schreef in het zand. ‘In het zand zag ik een wereld die niets met het kamp te maken had, en toch was het in het kamp. Hoe kon dit? Dichter bij toveren dan door iets te lezen zou een mens nooit komen’, had hij daaruit geconcludeerd. ‘Woorden zijn kleine goocheltrucjes, ze laten dingen zien en ze verbergen dingen’, leert hij later van zijn vader.

Waar vader Ising altijd doende is dingen te laten verdwijnen (hij steekt bijvoorbeeld het archief van psychiater Bastiaanse die oorlogstrauma’s behandelt in brand), probeert zoon Jopi juist te onthullen. Daarom promoveert hij op een historisch proefschrift waarin hij frauderende wetenschappers ontmaskert.

Zo zit dit veelzijdige boek vol met typische Holman-thema’s die we uit zijn vaak scherpzinnige, soms kinderachtige, maar meestal geestige columns kennen. Maar wat hem in zijn columns niet lukt, begrip wekken voor onsympathieke of gestoorde figuren als Geert Wilders en Anders Breivik, daarin slaagt hij in deze roman wél.

De naïeve maar verdorven vaderfiguur, in werkelijkheid geen oorlogsslachtoffer, maar een Indische NSB’er die alles en iedereen heeft verraden, is leuker dan de eveneens naïeve maar doodsaaie zoon. Midas de Grote Boze Wolf, de mislukkeling uit de Donald Duck, was ook vanouds sympathieker dan het brave Wolfje.

Aanstellerige dichter

Zoonlief wordt pas interessant als hij zijn oude vader opzoekt aan de Nesdijk 7 in Bergen, in werkelijkheid het toenmalige adres van de aanstellerige dichter en vrouwenjager Adriaan Roland Holst. Daar woont vader Ising – inmiddels de goed verkopende auteur van onder verscheidene pseudoniemen geschreven Jomanda-achtige boeken – als Indische goeroe samen met een groep seksslavinnen. Aan één van hen, de dertienjarige Freija, vergrijpt de brave Jopi zich, waarmee ook hij in de voetsporen van Multatuli treedt.

Voor de zekerheid vermeldt Holman in een verantwoording dat zijn eigen vader ‘wel degelijk aan de Birma-spoorlijn heeft gewerkt’. Hij was geen NSB’er die zijn oorlogsverleden bij elkaar loog. Gelukkig is ook zonder deze mededeling duidelijk dat De grootste truc aller tijden, een lichtvoetig gedachte-experiment over zware kwesties, een ode is aan de fictie.

Holmans vader heeft, zoals zoveel overlevenden, nooit over zijn kampervaringen gepraat. Zijn zoon geeft hem met dit boek een verhaal waarvan het er niet toe doet of het waar is of niet en dat daarmee een rake metafoor is voor ‘het verdriet van Nederland’.