Welkom, mijn beste Anton

In Bukmans ‘Anton’, een geromantiseerde biografie van Anton Mussert, is de oprichter van de NSB weer de reactionaire nationalist die geleidelijk in een fascist veranderde.

Fictie rukt op in de non-fictie. Zo maakte de politicoloog Meindert Fennema twee jaar geleden onvervalste faction van zijn politieke biografie van de PVV-voorman Geert Wilders. Hoewel hij Wilders nooit had gesproken, liet Fennema hem bijvoorbeeld naar de McDonald’s op het Spui in Den Haag kijken na afloop van zijn sollicitatie als fractiemedewerker van de VVD in 1986. Onlangs beschreef Eva Vriend in Het Nieuwe Land, haar boek over de aanleg van de IJsselmeerpolders, precies hoe haar grootvader zich bewoog toen hij eind jaren veertig bezoek kreeg van een rijksambtenaar die moest bepalen of hij een goede boer was.

Ook Anton Mussert en de NSB: opkomst en ondergang van een populist van oud HP-journalist Bert Bukman is faction. ‘Anton is [...] deels ook een product van mijn verbeelding’, schrijft Bukman in de verantwoording van zijn biografie van Anton Mussert (1894-1946), oprichter en leider van de Nationaal-Socialistische Beweging (NSB). Alle historische gebeurtenissen hebben daadwerkelijk plaatsgevonden en alle citaten uit redevoeringen, perspublicaties en rechtbankverslagen zijn correct, schrijft hij. Maar de gesprekken die Mussert voert met bijvoorbeeld zijn medewerkers, zijn vrouw, maîtresse en Mussolini zijn verzonnen.

Het gevaar van faction over historische figuren als Mussert is dat ze rare, ongeloofwaardige citaten in de mond gelegd krijgen. Die komen ook in Anton voor, zij het niet al te vaak. ‘Welkom, mijn beste Anton. Wat kan ik voor je doen?’ laat Bukman Mussolini zeggen als Mussert in 1934 voor het eerst in Rome een bezoek brengt aan de Italiaanse fascistenleider. Als het ten einde is, spreekt Mussolini plompverloren een bekend Duce-citaat uit: ‘Weet u, het volk is net een vrouw, het gaat mee met de allersterkste. Ik wens u het allerbeste.’

Echt potsierlijk zijn de dialogen alleen als Mussert en Maria Witlam, zijn 18 jaar oudere tante met wie hij was getrouwd, seks hebben. ‘Hier moet je zijn’, zegt Rie als ze voor het eerst met elkaar naar bed gaan. ‘O, Boems...’, zegt ze later steeds bij het begin van intieme omgang.

Voor Anton heeft Bukman gebruik gemaakt van onder meer de Mussert-biografie van Jan Meyers uit 1984 en Het Koninkrijk der Nederlanden van Loe de Jong. Ook het vorig jaar verschenen Mussert en Co van Tessel Pollmann noemt hij in de verantwoording als bron.

Beroepsintrigant

In dit boek schetst Pollmann een inktzwart beeld van Mussert en en enkele andere vooraanstaande NSB’ers. Zijn hele leven was Mussert een achterbakse man, schrijft Pollmann. Toen hij in de jaren twintig als waterstaat-ingenieur werkte, was hij een beroepsintrigant die zijn aandeel in plannen overdreef. Ook loog en bedroog hij voortdurend en maakte zijn collega’s zwart om zijn carrière te bevorderen. In zijn privéleven was hij ook een bedrieger: jarenlang had hij een verhouding met zijn veel jongere achternichtje Marieke.

Als politicus die in 1931 de NSB oprichtte, was hij van het begin af aan een fascist, laat Pollmann zien. Vanaf 1935 was Mussert zelfs een antisemitische nationaal-socialist. Bovendien was hij een crimineel, die door afpersing eigenaar werd van een lucratieve drukkerij en zich meester maakte van huizen en huisraad die van Joden waren geroofd. Een ‘uiterst kritische bron’, noemt Bukman Pollmanns boek in zijn verantwoording. Te kritisch blijkbaar, want in Anton is Mussert niet de grote boef die hij volgens Pollmann was maar weer de reactionaire nationalist die geleidelijk fascist wordt en van oorsprong geen antisemiet is. Uitgebreid beschrijft hij de vriendschap van Mussert met Jacob Josephus Jitta, zijn Joodse studiegenoot aan de TU in Delft met wie hij na zijn studie nog jarenlang kaartavondjes heeft. Bukman schildert hem ook af als een getalenteerde waterstaatsingenieur, die gedurfde ontwerpen maakte en verantwoordelijk was voor de precieze loop van het Amsterdam-Rijnkanaal.

Ook in Anton wordt Mussert zich in de loop van de jaren dertig een antisemiet. Maar zijn antisemitisme wordt nooit rabiaat. Ook wordt hij, in tegenstelling tot NSB’ers als Rost van Tonningen, nooit een fanatieke nazi. Als Duitsland Nederland in 1940 heeft bezet, streeft hij hardnekkig maar vergeefs naar een onafhankelijk Nederland, met hemzelf als leider uiteraard. Nederland moet niet worden ingelijfd in het Duitse Rijk, vindt Mussert, maar samen met onder meer Scandinavische landen deel uitmaken van een statenbond van Arische landen. Bij dit streven heeft hij zijn hoop gevestigd op de Führer, die hij enkele keren bezoekt. Van SS-hoofd Heinrich Himmler en rijksmaarschalk Hermann Göring heeft hij niets te verwachten. Die nemen hem niet serieus. Maar Hitler draagt een onafhankelijk Nederland een warm hart toe, gelooft hij.

Klauwen

Mussert begrijpt dan ook niet waarom hij in 1945 wordt veroordeeld tot de doodstraf. Hij ziet zichzelf niet als een landverrader, maar als een nationalist die Nederland uit de klauwen van het Derde Rijk probeerde te redden. ‘Blijkbaar was hij, Anton Mussert, meer dan een ter dood veroordeelde’, denkt hij op de ochtend van zijn executie waarmee het boek begint. ‘Net als Johan van Oldenbarnevelt, die eveneens een onrechtvaardige dood was gestorven op het schavot. En net als Adolf Hitler, de Führer die hij altijd trouw was gebleven.’

De voornaamste reden dat non-fictieschrijvers fictie gebruiken is dat dit de leesbaarheid vergroot. Dit geldt ook voor Anton: door de dialogen en de gedachten van Mussert leest het boek als een gemakkelijke roman. Maar Bukman wilde méér, getuige het motto van Anton, een citaat van Ernest Hemingway uit A Moveable Feast, waarin de Amerikaanse schrijver beweert dat ‘fictie licht kan werpen op wat als feit beschreven is.’ Maar nieuw licht werpt Anton niet op Mussert, eerder oud. Met zijn biografie sluit Bukman aan op het milde beeld dat Meyers en De Jong van Mussert hebben gegeven. Ook in Anton is Mussert niet zozeer een grote boef als wel ‘een man van rusteloze activiteit met betrekking tot vele aspecten die zijn vakgebied raakten – of zijn geliefde vaderland’, zoals Meyers hem al in 1984 omschreef.