Column

Waarom investeren bedrijven niet meer?

Wat is er toch mis met Nederland, dat ondernemingen zo weinig extra investeringen doen?

Het Centraal Planbureau (CPB) zette deze week de cijfers in zijn economische prognoses op een rijtje. Vorig jaar daalden de bedrijfsinvesteringen nog met 2,5 procent, dit jaar is er een half procent groei en volgend jaar is het plus 2,25 procent, dankzij toenemende wereldhandel en hogere binnenlandse productie.

Ook De Nederlandsche Bank maakte in haar jaarverslag deze week optimistisch lawaai over de investeringslust. Zoals: puike concurrentiepositie, volle kas, meer wereldhandel. „Eerste tekenen van opleving zijn te zien.”

Dat klinkt als een opsteker, maar versluiert een jammerlijke trend. In een grafiek schetst het CPB het verloop van de investeringsquote, die het bureau definieert als de investeringen als percentage van de bruto toegevoegde waarde. Sinds 1970 is de investeringsquote niet zo lang zo laag geweest. Nog vervelender: dit proces van afkalving is al jaren gaande.

Gealarmeerde beleidsmakers zoeken naar verklaringen. Want: dalende investeringen leiden tot dalende banengroei. We schuiven verder op naar het ‘Manhatten model’: Nederland als schiereiland à la Manhattan in New York én de VS. Dé locatie van hoofdkantoren, fiscale holdings en belastingadviseurs, doorvoerhavens (Rotterdam en Schiphol) en toevallig overgebleven maakindustrie bij Eindhoven.

Economen van het ministerie van Economische Zaken hebben in vakblad ESB de achterblijvende investeringen al tweemaal aan de kaak gesteld. Het ministerie gaf tevens een opdracht aan onderzoeksinstituut EIM, dat een optimistisch getiteld rapport opleverde: ‘Dynamiek van investeringen’. EIM onderzocht zeven bedrijfstakken die eerder in ESB als achterblijvers werden aangeduid, waaronder detailhandel, voeding- en genotsmiddelen, transport en de metaal- en elektrotechnische industrie. Stuk voor stuk bedrijfstakken met achterblijvende investeringen ten opzichte van vergelijkbare landen als België, Duitsland, Italië en Zweden.

Het onderzoek waaiert breed uit en stelt, mede daardoor, teleur. Het rapport rept van verslechterd ondernemerssentiment, van hoge productiviteit van kapitaalgoederen, zodat er minder van nodig zijn (gegeven de vraag naar eindproducten), van „beperkt achterblijvende rendementen” ten opzichte van de vergelijkbare Europese landen, van de opmars van leasing (zodat investeringen elders in statistieken opduiken) en van het feit dat buitenlandse hoofdkantoren investeringsbeslissingen nemen omdat zij de baas zijn geworden van middelgrote bedrijven hier.

De Nederlandsche Bank is over de oorzaak daarentegen opmerkelijk driest: de banken hebben het gedaan. De haperende kredietverlening drukt de bedrijfsinvesteringen en kost Nederland groei. Rekening houdend met de inflatie krimpen de kredieten al sinds begin 2012 (zie pagina 29). Herstel op korte termijn ligt volgens De Nederlandsche Bank niet in het verschiet.

Dat is de prijs van de crisis die in het bankwezen is ontketend, maar ook van de maatregelen die politici en toezichthouders vervolgens namen. Meer (banken)belasting en hogere kapitaalbuffers remmen onze groei. Nog jaren.

De redacteuren Maarten Schinkel en Menno Tamminga schrijven in deze wisselcolumn over economische ontwikkelingen.