Pingpongende wijzen

Als twee ‘Wise Men’, waarnemer Heldring en verslaggever Spoor, de Koude Oorlog, Europa en dekolonisatie onder de loep nemen, krijg je een uitzonderlijk boek.

De Nederlandse journalistiek kent een handvol briljante scribenten die, als hun artikelen in de Angelsaksische pers waren gepubliceerd, wereldberoemd zouden zijn. Ik raakte daar opnieuw van overtuigd bij het lezen van Onze eeuw. J.L. Heldring en André Spoor in gesprek, waarin die twee oud-hoofdredacteuren van deze krant zich als The Wise Men van de Lage Landen manifesteren, zo breed en diepgaand is hun kennis van de internationale politiek.

In zijn voorwoord schrijft Heldring dat het idee voor Onze eeuw tot stand kwam toen hij van zijn vriend Spoor het boek Unser Jahrhundert cadeau kreeg, een verslag van een conversatie tussen de Duitse oud-bondskanselier Helmut Schmidt en de prominente historicus Fritz Stern over de grote gebeurtenissen van de 20ste eeuw. De flamboyante Spoor stelde hem korte tijd later voor iets soortgelijks te doen.

Zonder zich met de briljante politicus Schmidt en de scherpzinnige Stern te willen meten, hebben de gesprekken van beide journalisten een boek opgeleverd dat geen moment verveelt. Heldring toont zich daarbij als altijd een onsentimentele waarnemer met een bewonderenswaardig analytisch vermogen.

Spoor, die in september 2012 overleed, is de intellectuele verslaggever, die met het werk van Golo Mann in zijn zak door de coulissen van de macht zwierf en op een Washingtons feest cheek-to-cheek met de vrouw van Robert Kennedy danste. Dankzij die eigenschappen hebben beiden iets on-Nederlands kosmopolitisch in een journalistiek landschap dat steeds meer navelstaart en het buitenland verwaarloost.

Vermakelijk

Thema’s in de gesprekken zijn de Koude Oorlog, de Nederlandse dekolonisatie en Europa. Wat de beide journalisten daarover te melden hebben is hoogst interessant en soms zelfs vermakelijk. Zo omschrijft Heldring Stalins naoorlogse buitenlandse politiek als buitengewoon voorzichtig en relativeert hij daarmee Stalins naoorlogse expansiedrang westwaarts. Het echte gevaar in de Koude Oorlog dreigde onder Chroesjtsjov en Brezjnev.

Spoor bevestigt dit, zonder Stalins misdaden uit het oog te verliezen, en haalt Ruslandkenner George Kennan aan, een Amerikaanse Wise Man, die Stalin een groot staatsman vond. Kennan had Stalin goed door en was tegen de aanvankelijke Amerikaanse politiek van dikke maatjes spelen met de dictator. In plaats daarvan stelde hij een zakelijke aanpak voor, die het Witte Huis tot aan de val van de Sovjet-Unie zou voeren.

En zo pingpongen beide journalisten heen en weer en dwingen ze hun lezer tot nuance. Op zijn tijd wordt er ook een anekdote opgediend, zoals over KVP-minister van Buitenlandse Zaken Joseph Luns, die uitstekend met Oostblokleiders kon opschieten, omdat hij net zulke platte grappen en grollen maakte als zij.

Een ander aardig weetje is dat Stalins handlanger Molotov, die na de dood van de dictator in 1953 in ongenade was gevallen, onder Chroesjtsjov bijna ambassadeur in Nederland was geworden. Heldring meent dat misschien eigenhandig, met de pen, te hebben voorkomen, door in zijn NRC-column Dezer dagen te schrijven dat iemand die door het Kremlin was afgezet absoluut niet in aanmerking mocht komen voor zo’n post.

Ook komt Heldring met een interessante verklaring voor de Russische lethargie. Hij voert daarbij opnieuw Chroesjtsjov op, die inzag dat de sovjeteconomie vastliep doordat niemand als gevolg van de Stalin-terreur nog initiatieven durfde te nemen. ‘Initiatief was ten aanzien van Stalin een poging tot zelfstandigheid en emancipatie die de kop ingedrukt diende te worden’, zegt Heldring. Een volgende stap naar Gorbatsjov, die de economie ook vlot wilde trekken zonder het communisme op te geven, en naar Poetin, die op autoritaire wijze regeert omdat hij het volk niet vertrouwt, kun je dan al gauw zetten.

Spoor vertelt op zijn beurt dat Brezjnev op bezoek bij Helmut Schmidt thuis maar niet kon begrijpen dat er geen muur stond om de chique Hamburgse buitenwijk waar de bondskanselier woonde, zoals in Rusland bij woonoorden van de politieke elite wel het geval was. Zo’n detail zegt, uitvergroot tijdens een herengesprek, ineens veel over de uiteenlopende opvattingen over macht in Oost en West. En precies daardoor krijg je een goed beeld van het denken van de Russische politieke elite, toen en nu, en besef je waarom er in het huidige Rusland voorlopig niet zoveel zal veranderen.

Heldring zegt ook nog dat een Britse diplomaat hem in 1947 vertelde hoe tijdens een conferentie over de lancering van het Marshallplan minister Molotov, die aan de onderhandelingstafel zat, op het laatste moment werd teruggefloten door Stalin. Volgens die Brit vond Molotov dat besluit zichtbaar onverstandig van zijn baas. Heldring ziet dat bevolen opstappen van de sovjetdelegatie als het bewijs dat de kloof tussen het Oostblok en het Westen onoverbrugbaar op dat moment was geworden. Door zo’n gebeurtenis aan te snijden besef je ineens hoe de geschiedenis een heel andere wending had kunnen krijgen. En dat is nu precies het aardige aan dit boek.

Bekrompenheid

Interessante wetenswaardigheden geven de twee wijzen ook over de Nederlandse politici die bij de dekolonisatie waren betrokken. Over KVP-leider Romme, die de koloniën wilde behouden, zegt Heldring bijvoorbeeld dat die bang was dat de katholieken anders door het niet-katholieke volksdeel voor onbetrouwbaar zouden worden uitgemaakt.

Heldring is een meester in het neerzetten van onze naïeve buitenlandse politiek als het om de EU gaat. ‘Wij hebben nooit geweten wat internationale politiek was’, zegt hij tegen Spoor. ‘We hielden ons erbuiten. Europa, zo dacht men hier, wordt één groot Nederland waarin mensen netjes belasting betalen. Geen sprake van natuurlijk! Als je een land als Italië, een van de eerste zes oprichtingslanden, erbij haalt, weet je niet waar je mee in zee gaat.’

Het liefst zou je op zo’n moment willen dat premier Rutte en minister van Financiën Dijsselbloem meteen belet zouden vragen bij zulke wijze mannen. Wat meer wijsheid in de angstige Nederlandse Europapolitiek kan tenslotte geen kwaad.