Ook de vogels zwegen in Sarajevo

Sarajevo tijdens de Joegoslavische Oorlog op 4 juli 1992 Foto Antoine Gyori/Sygma/Corbis

Raar eigenlijk dat niemand tijdens de oorlogen in voormalig Joegoslavië ooit heeft geroepen: ik schaam me dood dat dit gebeurt en ga er nu een einde aan maken! Niet de gewichtige intellectuelen die het gif van het nationalisme achter kopjes koffie zaten te verspreiden in hun door de staat betaalde schrijvershuizen in de verschillende deelrepublieken. Niet de voormalige buren, Joegoslaven die vrienden voor het leven hadden geleken, getuigen waren geweest op elkaars huwelijken, maar toch op een dag het vuur op elkaar hadden geopend. En ook niet de internationale gemeenschap die in die dagen aan het begin van de jaren negentig, bestond uit een verdeeld Europa, een ongeïnteresseerd Amerika en een chaotisch Rusland.

Over de oorlog in voormalig Joegoslavië zijn inmiddels talloze boeken geschreven. Het verhaal blijft telkens weer verbijsteren. Nu is daar het ooggetuigenverslag van de Nederlandse journaliste Mone Slingerland: Wie schiet daar toch? Getuigen van de laatste Europese oorlog. Het gaat over de mensen die Slingerland leerde kennen als reizend correspondent in het oorlogsgebied voor Het Parool en HP/De Tijd, vooral in de jaren negentig. Eerst in Bosnië, later in Servië, Kosovo en Macedonië.

Met een vlotte pen en een kien oog voor het absurde beschrijft ze de oorlog van binnenuit: hoe gewone mensen langzaam maar zeker alle houvast verliezen en vermalen raken in krankzinnige oorlogsgebeurtenissen. Wat haar boek zo bijzonder maakt is dat ze haar personages blijft opzoeken, ook als het oorlogscircus allang weer is verder getrokken en de slachtoffers het maar zelf moeten uitzoeken.

Slingerland kwam eind mei 1993 voor het eerst in het belegerde Sarajevo aan. De oorlog trekt, waarom weet ze eigenlijk niet. Ze is bang, misschien ook een beetje naïef. ‘Lang zal het conflict toch niet duren want dat kan de wereld, en zeker de rest van Europa, niet toelaten.’

Schietrondes

Sarajevo lijkt een verlaten stad. Slingerland verbaast zich over het decor: de bergen van waaruit de Bosnische Serviërs de stad beschieten liggen pal buiten de stad. De stiltes tussen de schietrondes vallen op. ‘Alsof ook de vogels hun adem inhouden.’ Woont hier nog wel iemand, vraagt ze zich af als ze ziet dat bijna al het glas uit de ramen is geschoten.

Het antwoord volgt een paar alinea’s verder als ze de kamer binnenstapt van de schrijver Abdulah Sidran, haar eerste contact in de stad. Een typische intellectueel van het oude Joegoslavië: een kleine gezette man met een grijze sik. Hij heeft een slok op en loopt luidkeels te oreren. Als er in de buurt een granaat inslaat doet hij het raam open en begint een tirade tegen zijn oude vriend Radovan Karadzic wiens troepen nu al een jaar lang de stad beschieten.

Via via komt Slingerland in contact met Tanja, een negentienjarige Bosnische moslim, ze zal een van de hoofdpersonen worden in het meest indringende deel van het boek, dat over Bosnië. Door de ogen van Tanja zien we de val van Vukovar (Kroatië) in het najaar van 1991, ze is nog in de vaste overtuiging dat zoiets nooit in Bosnië zou kunnen gebeuren en zeker niet in het multi-etnische Sarajevo, waar Serviërs, moslims en Kroaten als vanzelfsprekend met en naast elkaar wonen. We zien haar trots dienst nemen om de stad te verdedigen als het toch anders blijkt te lopen. En hoe alles daarna kapot gaat. Hoe het verdedigingsleger steeds meer onder invloed komt van traditionele moslims – waarna Tanja naar de keuken verdwijnt – hoe in Sarajevo gebouw voor gebouw in puin wordt gelegd, hoe de buitenwereld weigert in te grijpen. Tot het voorjaar van 1995 als er weer een bloedbad heeft plaatsgevonden op de markt. Slingerland is op het moment van de aanslag in de stad en noteert: ‘Overal sijpelt bloed, ook langs de buitenmuur van de Markale, de markthal in het centrum van Sarajevo. Ook langs het hekwerkje dat voor de oorlog voetgangers heeft beschermd tegen voorbijrazend verkeer. Ook in de rails van de tram die sinds dit voorjaar opnieuw stilstaat.’

Dan volgt een beschrijving van het Kosevo-ziekenhuis waar huilende familieleden zich verdringen. Chirurgen komen handen te kort. ‘Als alle voorzieningen wegvallen word je onvoorstelbaar sterk en inventief’, zegt de 57-jarige Fakica Busic. Er vallen die dag 37 doden en 85 gewonden. Na een belegering van drie jaar zal de NAVO eindelijk zijn vliegtuigen inzetten tegen het Servische geschut in de heuvels rondom de stad. Een half jaar later wordt de Bosnische vrede getekend in Dayton.

De ellende gaat in Wie schiet daar toch? maar door, zoals ook de oorlog zich eindeloos voortsleepte. Het boek wordt daardoor zware kost.

Zwerfhond

Begin 1996 moest ik zelf in het Kosevo ziekenhuis zijn, toen ik als correspondent op de Balkan werkte. Kort daarvoor was ik aangevallen door een zwerfhond. Hij had mijn enkels gegrepen en doorgebeten, met het schuim op de mond. De kuur die ik vervolgens kreeg tegen hondsdolheid was nog niet afgelopen toen ik in Sarajevo aankwam.

Naïef vroeg ik of iemand me kon helpen. Ik had alles, maar zelf spuiten kon ik niet. Een jongen in een witte jas nam zwijgend de naald, de capsule met de kuur en het glazen potje met verdunner in ontvangst. Ik stak mijn arm naar voren en keek de andere kant op.

Geroutineerd boorde hij de naald in mijn armspier, waarop een felle pijn volgde. ‘Klaar’, zei de jongen in de witte jas en gaf me het flesje verdunner ongeopend terug. Hij had het serum onverdund ingespoten. ‘Zo doen we dat hier’, mompelde hij, waarna hij meteen de kamer uitsnelde. Op dat moment schaamde ik me rot voor mijn kleine leed, dat het in de verste verte niet haalde bij alle drama’s die zich in dat ziekenhuis hadden afgespeeld.