Objectieve journalistiek achterhaald? Ik dacht het niet

Fotojournalisten bij een demonstratie. Foto Reuters / Luke MacGregor

Hoe objectief moet een journalist zijn?

En wat is dat eigenlijk, ‘objectiviteit’?

Dat was de inzet van een symposium dat ik donderdag bijwoonde aan de Universiteit van Amsterdam, onder de titel ‘Objectiviteit, een achterhaalde norm?’

Een onderhoudende, maar uiteindelijk nogal wollige discussie - maar goed, dat krijg je als het gaat om zo’n vaag begrip, waarover in de journalistiek van tijd tot tijd wordt gebakkeleid.

In de jaren zeventig, bijvoorbeeld, zou New Journalism het stoffige, ‘objectieve’ fabrieksproza van kranten vervangen, volgens de schrijver Tom Wolfe. Journalisten zouden voortaan literaire stijlmiddelen gebruiken en zichzelf meer in hun verhalen gaan betrekken.

Maar dat was dus nog vooral een kwestie van stijl. Het leidde tot mooie reportages, waarvan Wolfe de beste bundelde, maar ook tot journalistiek cabaret, zoals dat van Hunter S. Thompson.

Terug van weggeweest: de discussie over objectiviteit

Veertig jaar later is die discussie over objectiviteit weer terug, nu iedereen twittert, blogt en facebookt. En kranten en journalisten niet meer het vanzelfsprekende gezag hebben dat ze volgens sommigen in hun ‘Gouden Tijd’ zouden hebben gehad.

Ook in Amerika, waar het idee van ‘objectieve journalistiek’ werd geboren, is de discussie over het begrip opgelaaid. De ombudsvrouw van The New York Times, Margaret Sullivan, wijdde onlangs deze sceptische column aan de wens om journalisten minder objectief en persoonlijker te laten schrijven.

Ze haalt de journalistieke wetenschapper Jay Rosen aan:

De basis voor het vertrouwen in journalisten is langzaam aan het veranderen. De zogenaamde neutrale blik van journalisten, de ‘view from nowhere’, wordt minder te vertrouwen, en het vertrouwen neemt toe in journalisten die openlijk zeggen: dit is mijn opvatting.

En lees ook dit interessante rapport van de Columbia School of Journalism, waarin wordt gepleit voor een veel persoonlijker vorm van journalistiek. Individuele journalisten worden namelijk belangrijker dan het instituut waar ze voor werken:

De individuele handelingsvrijheid van journalisten is veel groter geworden, ook buiten de eigen redactie en het merk.

Dat is een goeie ontwikkeling, aldus het rapport, want journalisten moeten hun publiek aanspreken met individuele expertise en charisma.

Is dat nog ‘objectief’?

Objectiviteit is ook een waardeoordeel

Het probleem met zulke discussies is: meestal wordt ‘objectiviteit’ niet gedefinieerd, maar impliciet gelijkgesteld met ‘onafhankelijk’, ‘neutraal’, en ‘onpartijdig’. Maar dat zijn weer allemaal verschillende begrippen, waardoor de verwarring vaak meteen compleet is.

Zo wordt objectiviteit wel geïdentificeerd met ‘neutrale’ journalistiek. Maar in een liberale democratie met een vrije, pluriforme pers, is journalistiek nu juist niet neutraal: er zijn linkse media, rechtse, liberale, christelijke, elitaire, populaire, et cetera. Met een eigen visie en identiteit, die ze uitdragen in hun commentaren, maar ook in het accent dat ze aan onderwerpen geven. Ja, in dictaturen bestaan ‘neutrale’ kranten, die dan ook vaak iets als De Waarheid heten, al is die er meestal niet in te vinden.

Aan de andere kant, als je ‘neutraal’ opvat als het streven naar eerlijke en evenwichtige berichtgeving, dan is daar natuurlijk niets mis mee. Integendeel. Kwaliteitskranten gaan niet voor niets uit van het adagium facts are sacred, comment is free. Dat wordt dan ook bedoeld met ‘onpartijdig’: de berichtgeving moet zich laten leiden door de feiten, niet door de meningen van de verslaggever. En ‘onafhankelijk’, dat wil zeggen: ook niet door commerciële of partijbelangen.

Ook in dat adagium zie je trouwens dat ‘objectiviteit’ zelf geen objectief begrip is, maar beladen is met waardeoordelen (feiten zijn “heilig”).

Streven naar objectiviteit is achterhaald

Het streven naar objectiviteit is afkomstig uit de Amerikaanse krantenwereld en heeft een lange geschiedenis, die wordt onderzocht in het boek Just facts van David Mindich, die werkte bij CNN en onder meer schreef voor The Wall Street Journal. Volgens Mindich sloot de norm van objectiviteit aan bij het vertrouwen van de negentiende eeuw in empirie en wetenschappelijkheid, en bij vernieuwingen zoals de telegraaf, die het mogelijk maakte informatie staccato en snel door te seinen.

Maar na de telegraaf hebben we nu Twitter, waar iedereen zijn mening (en feiten) doorgeeft. Het begrip objectieve journalistiek is dus anno 2013 écht achterhaald, vinden de critici ervan, vanuit uiteenlopende perspectieven.

Technologisch: Dankzij internet is de tijd voorbij dat je op journalistieke informatie moet vertrouwen, iedereen kan nu zelf bij ‘de bronnen’. Journalistiek hoeft dus ook niet meer objectief te zijn, maar moet ‘transparant’ zijn. Dat wil zeggen: openheid van zaken geven over de eigen visie en werkwijze, en linken naar de gebruikte bronnen.

Commercieel: De tijd van journalisten die Weten Hoe Het Zit en dat als objectieve vertellers mededelen, is ook voor uitgevers voorbij. In het moderne mediatijdperk is geen behoefte meer aan allesweters, maar aan persoonlijke journalistiek. Zie het succes van allerlei bladen met persoonlijke verhalen en ontboezemingen.

Filosofisch: Geen mens is ‘objectief’, dus ook een journalist niet. Dat is zo’n beetje een huis-tuin-en-keukenwijsheid geworden. Het streven naar ‘objectief’ nieuws drukt het onmogelijke verlangen uit naar een view from nowhere. Onmogelijk, want onmenselijk, en dus onwenselijk. Doen alsof je objectief bent is dan schijnheilig of bedrog.

Of juist helemaal niet..?

Tegen al die argumenten is wel iets, of zelfs veel, in te brengen.

Technologisch: Internet biedt talloze mogelijkheden, maar schreeuwt ook om ordening en duiding. En transparantie is inderdaad broodnodig en een groot goed, journalisten moeten veel meer laten zien wat ze doen, hoe en waarom. Maar dat dient juist tot een versterking van de objectiviteit die het vak nastreeft, het is geen vervanging ervan.

Commercieel: Het is maar de vraag of gebruikers van journalistieke media vooral subjectieve informatie willen. Een onderzoek dat op het UvA-symposium werd gepresenteerd wijst eerder op het tegendeel. Hoger opgeleide jongeren willen juist betrouwbare, objectieve informatie concludeerde studente journalistiek Hansje van de Beek. Haar stelling: subjectieve journalistiek jaagt hoog opgeleide jongeren weg van de media.

Filosofisch: Objectiviteit hoeft helemaal geen view from nowhere in te houden. Het gaat erom dat mensen, hoe menselijk ze ook zijn, in staat zijn waarheid vast te stellen. Zoals het feit dat de aarde om de zon draait en niet andersom. Die waarheid hangt niet af van een persoonlijk standpunt en het is ook geen mening. Net zomin is het een mening dat de inval in Irak plaatsvond in 2003.

Ook de journalistieke ‘duiding’ van zulke feiten is niet zozeer het geven van een subjectieve mening, maar eerder het vellen van een professioneel oordeel. Dat kan tegelijk persoonlijk zijn (in de zin van: deskundig) én objectief (in de zin van: zakelijk, wéér een ander begrip).

Het hangt er natuurlijk ook maar van af over welk medium je het hebt. De Wereld Draait Door is een amusementsprogramma barstenvol meningen. Maar is het journalistiek? Laten we ons wat de discussie over objectiviteit betreft beperken tot kranten, bladen en sites die de lezer en bezoeker vooral willen informeren, en niet vermaken.

Het is een methode geen doel

Wat is dan uiteindelijk wél objectiviteit?

Bill Kovach en Tom Rosenstiel, auteurs van het standaardwerkje The Elements of Journalism, geven daar een mooie uitleg van. De discussie over objectiviteit is volgens hen “een van de grote verwarringen over journalistiek”. Objectiviteit moet geen doel zijn (haalbaar of onhaalbaar) maar een methode, een manier van werken. Het begrip houdt helemaal niet in dat journalisten geen opvattingen of meningen zouden mogen hebben, het is een manier om informatie te verzamelen, te controleren en te presenteren.

Ze geven daar in hun boek deze vuistregels voor:

1. Voeg nooit iets toe dat er niet was
2. Bedrieg je publiek nooit
3. Wees zo transparant mogelijk over je methode en motieven
4. Vertrouw op je eigen, primaire verslaggeving
5. Wees bescheiden

En in die opsomming zie je opnieuw dat objectiviteit in de journalistiek geen wetenschappelijk maar een normatief begrip is.

Kovach en Rosenstiel leggen die principes zo ook nog eens uit:

Journalistiek streeft niet naar waarheid in absolute of filosofische zin, maar in een praktische zin, ten behoeve van burgers in een democratie. Dat begint met het op een professionele manier verzamelen en verifiëren van feiten.

Let wel, daar ‘begint’ het mee; daarna komt nog van alles. Ja, ook meningen.

Bij hen wordt objectiviteit in de journalistiek dus gedefinieerd als een methode voor eerlijke, afgewogen en feitelijk correcte berichtgeving. In die betekenis is objectiviteit (als je dat begrip wilt gebruiken) nog steeds de zuurstof van de journalistiek.

Trouwens, zelfs Mindich, de auteur van Just Facts, houdt vast aan het streven naar een feitelijke, betrouwbare journalistiek: het gaat tenslotte om feiten in de wereld daarbuiten, niet om de meningen van journalisten.

Ik wil geen relativisme omarmen. Er is een ‘daarbuiten’, daarbuiten.

En Margaret Sullivan van The New York Times besloot haar column over het onderwerp zo:

Als ‘onpartijdigheid’ betekent dat je in elk artikel altijd evenveel ruimte moet geven aan verschillende opvattingen, dan zijn we beter af zonder dat begrip. Probeer liever de waarheid te achterhalen. Maar dat kan vereisen dat een journalist zijn opvattingen achterwege laat om informatie eerlijk te beoordelen. Als dát onpartijdigheid is, is het niet alleen nog steeds de moeite waard, maar absoluut noodzakelijk.

Daar ben ik het (persoonlijk) mee eens.

En u?