Met Vergilius en bijbel de zee op

Voor het eerst is het Portugese epos van Camões vertaald. En voor het eerst is de recent ontdekte poëzie van Schouten te lezen.

Luís Vaz de Camões moet veel tijd hebben gespendeerd aan dichten en denken. Ergens in de jaren zestig van de 16de eeuw zette hij zich aan een groots werk, een heldenepos waarin hij de roem der Portugezen zou bezingen en in het bijzonder die van Vasco da Gama, de man die zestig jaar eerder als eerste Europeaan over zee India had weten te bereiken.

Sindsdien konden de Portugezen naar India zeilen en vandaar naar de Indonesische archipel en uiteindelijk naar de Molukken om daar de producten in te kopen die tot dan toe via lange karavaanroutes in Europa aankwamen. Camões zag Da Gama’s legendarische tocht van vier schepen als een pars pro toto voor de expansie van het heldhaftige Portugese volk.

Het nietige Portugal, aan de rand van Europa, had binnen een eeuw een imperium opgebouwd dat zich uitstrekte van de Afrikaanse kusten westwaarts tot Brazilië en oostwaarts tot Oost-Afrika, India, Ceylon, de Indonesische archipel, China en Japan.

Hij wilde iets scheppen waarvoor in de Portugese taal geen voorbeeld bestond. Klassiek geschoold liet hij zich vooral inspireren door de Aeneïs van Vergilius, misschien ook wel door Dante en verder door enkele geschiedschrijvers.

Camões (1524/’25-1580) groeide op in een erudiet maar verarmd milieu, diende in Noord-Afrika en Goa als soldaat en ontpopte zich als dichter. Zijn leven is gehuld in verdichtsels en hij fungeerde als verarmde, miskende, eenogige dichter uitstekend als een poète maudit. In tien zangen verhaalt Camões in zijn Os Lusíadas (dat wil zeggen de Portugezen) Da Gama’s tocht naar India.

Da Gama’s queeste naar de begeerde streken in het oosten vormt het centrale thema. Hij zoekt een route die tot voorbij Kaap de Goede Hoop al was ontdekt, maar verder oostwaarts moet hij bekwame en behulpzame loodsen vinden. Keer op keer wordt hij daarin gefnuikt. Door onbetrouwbare Afrikanen en Aziaten, door stormen en windstiltes, en door de vreselijkste ziektes. En telkens weer slagen hij en zijn mannen erin de schier onoverkomelijke tegenslagen te overwinnen.

Hier openbaren zich de twee perspectieven die Camões hanteerde. Ten eerste het perspectief van de klassieke godenwereld. Camões liet de Olympusbewoners compleet met ruziënde en zich verzoenende goden de loop der dingen bepalen. Jupiter en Venus willen graag dat Da Gama in India belandt, maar keer op keer wordt hij gedwarsboomd door de god Bacchus.

Tegelijk moest Os Lusíadas een christelijk epos zijn. Camões bezingt de hele expeditie van Da Gama namelijk ook als een christelijke kruistocht tegen ‘de wrede Turk’ en de barbaarse Moren, waarmee hij zo’n beetje alle oosterse volkeren bedoelde. De christelijke moraal verwerkte hij door zijn helden op te voeren als vrome en standvastige katholieken die vertrouwden op Gods hulp. Zijn helden geloven dat het lot, de voorzienigheid en in feite de Almachtige hun leven bepaalde.

Bloedzuiger

Camões wilde de lezer imponeren met zijn kennis van de klassieke wereld. In zijn Vergilius-navolging en zijn ontleningen aan Ovidius toont hij zijn dichterlijk vernuft dat in zijn tijd zeer werd geapprecieerd. Voor een hedendaagse lezer vertragen die regelmatig het leesproces. De traditie van de ridderromans verraadt zich in de eendimensionale karaktertrekken van moed, trouw, dapperheid en in het belang van eer en bloed.

Het knapste vind ik hem wanneer hij niet de klassieke traditie volgt, maar juist uit zijn eigen concrete werkelijkheid put, zoals in zijn beschrijvingen van natuurverschijnselen, van ziektes aan boord, het scheepswerk, of gevechten met Afrikaanse of Aziatische legers.

Zo beschrijft hij een windhoos als een dunne rooksliert die opstijgt naar de hemel en die geleidelijk de omvang krijgt van een zware, grote mast die zwevend boven de golven grote slokken zeewater opslorpt. Camões vergelijkt hem met een paarse bloedzuiger ‘die zich vastbeet in de lip van een wild dier dat/ Onvoorzichtig uit een koele bron dronk,/ En met vreemd bloed de brand lest van zijn dorst,/ Zich gaandeweg volzuigend dikker wordt/ En opzwelt tot geweldige proporties.’

Os Lusíadas verscheen in 1572 in druk en werd de onbetwiste nationale heldentekst van Portugal. Er kwamen talloze edities en vele vertalingen uit. In Nederland is Camões altijd slecht bedeeld. Pas in 1777 verscheen er een integrale vertaling; verder bleef het bij fragmenten.

Maar nu is dan toch eindelijk een integrale vertaling met een uitstekend, erudiet nawoord verschenen. Het uitgebreide notenapparaat verheldert de talloze historische en mythologische namen en begrippen.

Arie Pos koos voor een vertaling in blanke verzen. Dat gaf hem veel vrijheid. De regels in Pos’ vertaling lopen soepel, nergens is sprake van geforceerde grammaticale kunstgrepen.

Misschien wilde Camões wel te veel genres en tradities ineen schuiven, klassiek epos, ridderroman, eigentijdse reisbeschrijving. In ieder geval lijkt het idioom niet altijd stijlvast, althans in deze vertaling. Soms leest het als een plechtstatige vertaling van een klassiek epos (de reine sneeuw, de klare bron), dan weer roept de tekst associaties op met een wat belegen jongensboek (de koene vlootvoogd, het vuige plan, roemruchtige mannen), en dan weer lijkt Pos bewust de boel te willen opschudden met een zakelijk woord (consumeren, superieur, constitutie). Dat neemt niet weg dat het een bewonderenswaardige prestatie is om deze tekst voor het eerst in toegankelijk Nederlands om te zetten.

De Nederlanders ontberen een nationale dichter die de roem van de mannen overzee uittrompettert. Het dichtst bij komt Vondels veel kortere Het Lof der zeevaert uit 1623. Hij is een groter dichter dan Camões, maar Vondel had de oceanen niet getrotseerd.

Wel zijn er enkele dichters geweest die in dienst van de VOC of de WIC hun avonturen bezongen hebben, bevlogen, serieus, maar vooral satirisch.

Tot die groep behoort ook de scheepschirurgijn in VOC-dienst Wouter Schouten. Hij verwierf vermaardheid met de Oost-Indische voyagie uit 1676, een onderhoudend relaas van zijn jarenlange reizen en ontmoetingen in Azië, vol etnologische en natuurhistorische observaties. De Neerlandica Marijke Barend ontdekte in de Koninklijke Bibliotheek 36 handgeschreven gedichten van Schouten. Ze waren bedoeld als aanvangsverzen bij de hoofdstukken van de Voyagie, maar verschenen tot nu toe niet in druk.

Laffe Moren

Inhoudelijk zijn er wel enige overeenkomsten met Camões. Ook hier stormen, windhozen, scheurbuik, het Sint-Elmusvuur. Voor beiden is de reden van hun aanwezigheid de oosterse schatten. Maar waar Camões de roem der Lusiaden verheerlijkt, bezingt Schouten de Nederlanders die juist de Portugezen slag op slag toebrengen. Hij was zelf ook daadwerkelijk aanwezig bij de verovering van grote delen van Zuidwest-India op de Portugezen.

Waar het literaire referentiekader van Camões werd bepaald door de klassieke mythologie, zien we de godsvruchtige Schouten gulzig uit de bijbel putten. Beiden delen hun afkeer van de islam en van het hindoeïsme. Camões betitelt de Moren consequent als ‘sluw’, ‘laf’ dan wel ‘geslepen’ en Schouten heeft het over ‘Mahomets bedrieghelijcke leer’.

Toch kan hij nog wel enig begrip opbrengen voor andere religies. Hij heeft waardering voor de hoffelijkheid van islamieten met wie hij omgaat. Tegelijk moet hij toegeven dat de Nederlandse matrozen zich met hun ‘vuil gevloek uit open keel’ onchristelijk gedragen.

En ten slotte is er een biografisch verschil; Camões is nog altijd de nationale held van Portugal met een praalgraf in Lissabon tussen Vasco da Gama en twee Portugese koningen. Schouten heeft een graf in de Sint Bavo te Haarlem, maar heeft nooit nationale roem vergaard. Toch, dankzij een hertaalde uitgave van zijn Voyagie in 2003 en deze geslaagde uitgave van Marijke Barend is hij niet vergeten.