In de ogen van de ander

Vroeger schaamde hij zich vaak, schrijft P.F. Thomése. Nu heet hij een schaamteloze schrijver. Als variatie op het thema van de Boekenweek, Gouden Tijden, Zwarte Bladzijden, zoomt Boeken in op schaamte, in de literatuur, de oorlogsgeschiedenis en de politiek.

I

k geld als een schaamteloze schrijver – wat al moge blijken uit het gemak waarmee ik dit artikel met ‘ik’ begin. Drie keer ‘ik’ in één zin, in de eerste nog wel. Kan het schaamtelozer? Dat kan. Zie hiervoor onder meer mijn briljante B-roman Het bamischandaal, waarin ik, als ik even reclame mag maken, ouderwets tekeer ga. Zo, we zijn binnen.

Schending van de code is de weerhaak waarmee een schrijver zich vastzet in het bewustzijn van de lezer. Die wil niet verder – uit afkeer. Maar de nieuwsgierigheid wint, het ongehoorde lokt – en in de heimelijkheid van de leespositie kan de overtreding zonder consequenties worden begaan.

Schamen doe je pas met anderen erbij. In je eentje hoef je, net als God, niet te bestaan.

Gezien worden behoort tot de dagelijkse verschrikkingen. Iedereen doet alsof het normaal is. Maar het is niet normaal. De degraderende blik van de ander valt alleen te verdragen door het veinzen van totale onverschilligheid. Wie zich in het openbaar begeeft negeert de anderen. Het worden projecties. Je noemt ze ‘voorbijgangers’, ‘onbekenden’, ‘vreemden’. En als je met ze te maken krijgt, geef je ze een functie: ‘bakker’, ‘chef’, ‘leraar’, ‘collega’, ‘buurman’, ‘vriend’. Je eigent je ze toe, je geeft ze een rol in je bestaan. En je negeert dat achter dat masker een ander schuilgaat, die je beloert als een jager zijn prooi.

In de ogen van een ander zijn we slechts een object, waarmee deze kan doen wat hij of zij wil. Door de ogen van de ander – als we daarvan doordrongen zijn, neemt de schaamte een aanvang.

De vernedering prooi te moeten zijn, slachtoffer van de vreemde blik. Als object worden wij allemaal machteloos als meisjes in de martelkamers van Blauwbaard.

Het kan zijn dat niet iedereen zich hier bewust van is, maar ik was het al gauw en ben het altijd gebleven.

Ik herinner mij de gruwel van het klaslokaal, waar de frontale confrontatie de basisopstelling bleek te zijn, en ik als weerloos slachtoffer gedwongen werd mij de hele dag uit te leveren aan de borende blik van de almachtige leerkracht. Wegkijken (uit het raam, naar de blote bovenbenen van het meisje schuin voor me) bood geen uitweg. ‘Kijk me aan als ik tegen je spreek!’ De les die ik leerde was: je zult gezien worden, de rest van je leven. Je bent ons object, wij zullen met je doen wat we willen.

De schaamte wordt daarmee: de schaamte om wie je bent. ‘Ben ik dat?’ vroeg Eva in het paradijs geschokt. Adam wist niet waar hij moest kijken. Er zat voor deze eerste mensen, die niet wisten wie zij waren, niets anders op dan zich te verbergen ‘Adam, waar zijt gij?’ vroeg de Schepper. En Adam gaf wijselijk geen antwoord.

Tegenwoordig verbergen we ons niet achter bomen, maar achter schijngestalten die we aannemen. Ik verberg mij achter de man die ik moet zijn.

Doen alsof is de motor van het sociale leven. Je kunt het ook aansteller ij noemen. Zodra twee mensen elkaar ontmoeten, gaan ze zich aanstellen. Kijk maar om je heen: overal diezelfde parodie van mensen die in zichzelf zitten opgesloten. Heel dat aangeleerde, gekopieerde gedrag is ontwikkeld om onze angst voor elkaar te verhullen.

De manier waarop we onze schaamte aankleden, noemen we cultuur.

Geen wonder dat de schaamte zich in de puberteit/adolescentie het sterkst laat gelden, wanneer de seksuele identiteit zich in dromenland meldt en wij ineens achter onze geslachtsdelen aan blijken te lopen.

Iew! en Jakkes! om het eens met de meisjes te zeggen.

Ik schrijf ‘wij’, maar ik bedoel ‘ík’, want het duurde bij mij lang eer ik besefte dat ik niet de enige was die anders was. Iedereen voelt zich een ander en moet er zijn hele leven aan wennen een ‘ik’ te zijn. ‘Ik’ is een verzinsel waar je anderen in moet laten geloven. Er zijn anderen nodig om ‘ik’ te kunnen zijn.

De paniek en, ja, de ontreddering braken bij mij uit toen ik besefte dat ik er in principe niets over te zeggen had wie ‘ik’ was. Ik zat opgesloten in een lichaam dat onder allerlei biochemische ontwikkelingen een ander lichaam werd, en dat ik het mijne zou moeten blijven noemen. Het is alsof je zonder rijbewijs in een Ferrari wordt gezet: het puberlichaam is een scherp afgestelde reproductiemachine waar helaas geen leesbare gebruiksaanwijzing is bijgeleverd. Zelf zag ik dat lichaam overigens allerminst als perfect. Als ik het had kunnen ruilen tegen een ander, had ik het meteen gedaan. Het ‘ik’ is, als het aan het ‘ik’ ligt, een keuze.

Maar eerst zijn er de anderen, die ons dwingen onszelf te bekijken met hun ogen.

Ik denk dat die hele tegenwoordige obsessie met roem en gezien worden voortkomt uit het verlangen toeschouwer te zijn van je eigen leven. Dat is in wezen een melancholisch verlangen. Wie toeschouwer is van zijn eigen leven, hoeft het zelf als het ware niet meer te leiden. Het beroemd geworden ik is ook voor jezelf een object geworden, iemand die je kunt googlen, wiens vriend je kunt worden op Facebook en die je op afroep kunt terugzien op Uitzending Gemist.

Als je jezelf begint te googlen, ben je aardig op weg om voor jezelf een ander te worden. Zodra we iemand schijnen te moeten zijn, beginnen we van onszelf te vervreemden.

Ouderwetse mensen denken nog wel eens dat we in schaamteloze tijden terecht zijn gekomen. Iedereen laat alles maar zien – dat idee. De weerzin tegen dit ‘exhibitionisme’ komt voort uit de veronderstelling dat de posthumanistische onthullers van nu zichzelf onthullen – op internet, op televisie. Niets is minder het geval. Zij doen iets heel anders: zij creëren een beeld van zichzelf, zij fabriceren daar ter plekke, recht voor je ogen, een public image van zichzelf, net als een marketingafdeling dat doet ten behoeve van een product. Ze manipuleren het beeld dat anderen van hen hebben. Ze zijn het niet zelf, ook zijzelf zijn anderen geworden in hun eigen leven. Identiteiten worden daarmee tot personages (‘avatars’ in internet-lingo) die kunnen worden ingezet in het spel van de verbeelding dat de werkelijkheid wordt genoemd.

Schaamte heeft met ongevormdheid te maken. De persoon die geen personage vertolkt, is weerloos tegen de blikken van buitenaf; die blijft in zichzelf gevangen, opgesloten in het diepe woud van de eigen binnenlanden, ver van de onbereikbare buitenwereld. Hij kan zich niet kenbaar maken, niemand weet wie of waar hij is. Dus vullen ze hem zelf maar in.

Nooit vergeet ik de radeloosheid die mij overviel wanneer er in de trein meisjes tegenover me gingen zitten. Lachende, giechelende meisjes waren mij een gesel. Geen enkel gebaar was toereikend. Zij konden mij zien zoals het hun beliefde. Zij dwongen mij in een rol, en wel die van iemand ‘die iets wilde’. Hoe verkrampt ik ook uit het raam tuurde, telkens ‘betrapten’ ze me. Alles wat ik deed of niet deed werd uitgeegd als de toenaderingspoging van een kansloze. En ik vond hen niet eens aantrekkelijk! Dacht ik. Maar zelfs dat kon ik hun niet duidelijk maken. Elke afwijzing door mij zou worden opgevat als een flauwe dubbelzinnigheid om hun aandacht te winnen. En met die onmogelijkheid om me aan hen te onttrekken, werd ik wat ze wilden die ik was: een schuchtere jongen die zich tegenover hen geen houding wist, een jongen die zich schaamde voor gevoelens die de openbaarheid niet verdroegen, een kleine viezerik, in de ban van meisjes die voor hem te hoog gegrepen waren. Ze wezen me af terwijl ik hen niet eens wilde! Of wilde ik hen wel, en wilde ik hen niet omdat ik toch zou worden afgewezen? Ik wist het zelf niet eens. Mogelijk ook wilde ik hen niet omdat ik mijzelf niet wilde zijn – onder het motto: ‘Ik zou nooit lid willen zijn van een club waar ik lid van ben.’ (Groucho Marx).

Het heeft mij altijd verbaasd hoe gemakkelijk de mensen zich schikken in hun rol. Je kunt deze aanpassingsbereidheid conformisme noemen.

Beschaving wordt gekenmerkt door het besef van de rol die je speelt en de onmogelijkheid daaraan te ontkomen, tenzij door een andere rol te accepteren. Je niet bewust zijn van die rollen kun je zien als een gebrek aan beschaving.

Schaamteloosheid wordt dan: een rol op je nemen en je er niet van bewust zijn dat het een rol is die je speelt.

Soms wordt deze schaamteloosheid liefkozend spontaniteit genoemd. Hiermee wordt bedoeld dat de persoon in kwestie niet weet wat ie doet, en dat wordt dan charmant gevonden.

Maar als het hele volksstammen betreft, gaat de charme er wel van af. Hoe armoedig is een maatschappij die zich van zijn vormeloze conformisme niet meer bewust is. Dan verwordt de kunst tot entertainment waarbij wij allen op hetzelfde moment op hetzelfde reageren: die hele bullshit van voorspelbare emoties.

En ik zelf dan? Ben ik me er niet van bewust dat ik zelf mijn broek ook nogal populairderig laat zakken in mijn eigen J. Kessels-romans. Over entertainment, bullshit en voorspelbare emoties gesproken. Hoe verklaar ik dat? Hoe ben ik plotseling zo’n schaamteloze schrijver geworden, een niets verhullende viezerik wiens lezingen wegens de expliciete seksuele uitweidingen soms moeten worden afgelast? Hoe rijm ik die gemeenzame ongegeneerdheid met mijn vroeger zo teruggetrokken, intellectuele bestaan?

Dat zult u mijn lezers moeten vragen, in het bijzonder mijn niet-lezers, want die kennen mij het beste.

Men doelt meestal op de ‘hete donder’ Bernadette van Rooij uit de schandalig banale schandaalroman Het bamischandaal, een ronduit ‘lelijk wijf uit Aarle-Rixtel’, met wie ‘P.F. Thomése’ bij voorkeur van achteren op een manier tekeer gaat waar de honden geen brood van lusten.

Is het omdat ze zo lelijk is, is het omdat ik zo lelijk ben, is het om het schaamhaar, dat ouderwets royaal aanwezig is? Wat is voor het publiek het probleem? Is het een keer onbeschaamd autobiografisch, is het wéér niet goed.

Zijn er nog vragen? informeer ik gewoontegetrouw aan het eind van mijn onverminderd inspirerende lezing. Maar nooit stelt iemand na het moment suprême, wanneer de schrijver in precieze bewoordingen aan zijn gerief is gekomen, nog een vraag. En nooit krijg ik nou eens duidelijk uitgelegd waarom ze zich zo vreselijk voor mij hebben zitten schamen.

Het zijn uw eigen gedachten, voeg ik hun verontschuldigend toe. Maar ik krijg de indruk dat ze er vast van overtuigd blijven dat het mijn gedachten zijn die in hun schuldeloze hoofden rondspoken. Zelf zouden ze nooit met zo’n lelijk wijf, met zo’n vieze vent, …etc.

En elke nacht rijd ik opgelucht terug naar mijn eigen, mooie vrouw, met wie ik zielsgelukkig ben.

Pas nu ik die laatste zin opschrijf, schaam ik me. Omdat het de waarheid is.