Het volgende

Ik mail ongeveer vier keer per dag: „Ik mail even met het volgende.” Ik kan deze zin niet meer aanzien. Toch kom ik er ook niet vanaf. Wat is er zo irritant? Ten eerste dat ‘even’. Ik bedoel waarschijnlijk: dit is niet zo heel erg belangrijk. Daarom zeg ik dat ik het ‘even’ doe, eventjes tussendoor. Maar ook in heel belangrijke mails schrijf ik ‘even’. ‘Even’ is nep-nonchalance. Blijkbaar wil ik de ontvanger niet afschrikken met een plechtstatig ‘Ik mail met het volgende’.

Maar daarmee kom ik meteen bij de volgende irritatie, namelijk: waarom moet er überhaupt gezegd worden dat ik mail? Iedereen ziet dat ik mail, want de zin staat in een mail. Het doet denken aan mensen die bij alles wat ze zeggen ook eerst moeten zeggen dat ze iets gaan zeggen. „Ik zeg, we doen het gewoon.” Of: „Ik zal je zeggen, ik vind kamperen helemaal niks.” Ja, je zegt wat, dus je zult wel wat aan het zeggen zijn.

De derde irritatie in mijn standaard openingszin is, hoe kan het ook anders, ‘het volgende’. Ook hier geldt: ja, logisch. Je zult niet mailen met het voorafgaande. Wat volgt zal wel zijn waar het om draait.

En nu ik toch bezig ben: waarom mail ik eigenlijk ‘met’ het volgende? Waarom mail ik niet gewoon het volgende?

Je zou zeggen: als blijkbaar álles mis is aan de zin ‘Ik mail even met het volgende’: schrijf dan wat anders. Maar met iets dat je ongeveer vier keer per dag moet schrijven is het moeilijk om origineel te blijven. En een nieuwe standaardzin – die wekt natuurlijk binnen de kortste keren ook irritatie op.

Ik pleit dus voor mailenderwijs met de deur in huis vallen. Geen aanhef, en meteen zeggen waar het over gaat. Zonder aankondiging. En zonder afsluiting! Ik denk aan de duizenden keren dat ik al heb getypt ‘Ik hoop even van je te horen’. Wat heerlijk om daarvan af te zijn.

Paulien Cornelisse schrijft iedere vrijdag op deze plek over taal