Heimwee naar Hedonia

Kees van Kootens Boekenweekgeschenk is een cabarettekst over de wijze waarop zijn vader door de oorlog rolde: ‘Zonder storing vliegen de piepers eruit.’

Hoe lang zou Kees van Kooten al een ‘staande uitnodiging’ hebben gehad om het Boekenweekgeschenk te schrijven? In 1983 maakte de 72-jarige Wim Kan het geschenk. De destijds boven elke twijfel verheven oppercabaretier van Nederland kwam met een verzameling aforismen: Soms denk ik weleens bij mezelf… heette het, en het begin van de tekst ging verder bij de puntjes uit de titel ‘… want ik denk nooit bij een ander! (Dat is een heel gedoe – midden in de nacht iemand wakker maken: Mevrouw, mag ik even bij u denken?)’ Ach, Wim Kan.

Het boekje ging de geschiedenis in als een kolossale miskleun en niet lang daarna besloot de Stichting CPNB het roer om te gooien: het Boekenweekgeschenk moest voortaan literatuur zijn: een novelle van een gevestigde schrijver, die weliswaar bekend genoeg was om een groot publiek te trekken, maar die ook literair tot de top behoorde.

Eigenlijk had men meteen na het Kan-debacle Kees van Kooten moeten vragen: die publiceerde een jaar later de novelle Hedonia, een tikje lang voor een Boekenweekgeschenk, maar dat is meteen het enige dat erop aan te merken valt. Hoofdpersoon ‘Kees van Kooten’, televisiepersoonlijkheid van beroep, moet een week voor zijn gezin zorgen als zijn vrouw naar de Verenigde Staten is om daar Woody Allen te ontmoeten. Thuis in Het Gooi wordt hij verteerd door persoonlijke en professionele jaloezie. Want wie is er eigenlijk het grappigst? En wat gebeurt er in de New Yorkse bars tussen de grote Allen en de mooie mevrouw Van Kooten?

Hedonia, herdrukt ter gelegenheid van de Boekenweek, is een geweldige staalkaart van Van Kootens kunnen als schrijver: steeds in het gebied waar zelfspot overgaat in ijdelheid de lezer meelokkend met waargebeurde anekdotes die haast onmerkbaar in fictie veranderen.

Zo openen de vrouwloze avonden zich aanvankelijk voor Van Kooten als een oase van braafburgerlijke voornemens: ‘Ik kan allerhande videobanden bekijken of de echte televisie; kleur! Ik kan een fles heerlijke wijn opentrekken, met de poezen spelen, beetje tekenen, een liedje maken, nazien of wij feitelijk in gemeenschap van goederen zijn getrouwd en wat dat inhoudt, kennissen bellen, een jointje draaien – geen amusement zo decadent of ik heb het hier voor handen.’ Uiteindelijk zit hij porno te kijken met een oude coke snuivende vriend aan wie hij al jaren een hekel heeft.

Tussen de bedrijven door haalt hij herinneringen op aan de oorlog en aan zijn vader, een goedaardige man die net wat te ernstig was en af en toe werd uitgelachen door jovialere mannen. Die houding vervult de jonge Kees met evenveel schaamte als trots. Het is nostalgie, maar ongemakkelijke nostalgie: het twijfelende terugblikken van een man bij wie ook het oude ongemak nog onder handbereik is, die niet weet wat hij van zijn verleden moet vinden.

Geen detail ontglipt Van Kooten: de brieven van de door hem zeer bewonderde vaderlijke Wim Kan – Hedonia bevat ook een liefdesverklaring aan de cabaretier die eind 1983 was gestorven – koestert hij en beschrijft hij minutieus: ‘Bij het doorbladeren zie ik hoe zijn handschrift almaar groter wordt en er steeds meer vraag- en uitroeptekens opduiken. Hij schrijft over de put die dit leven is en over omhoogklauteren en weer terugglijden.’ Waarbij Van Kooten de depressie van Kan wel tóónt, maar niet uitspreekt.

Bijna dertig jaar na deze mooie novelle – en ongetwijfeld twee decennia nadat het hem voor het eerst is gevraagd – heeft Kees van Kooten (71) dan toch de tijd gevonden om het Boekenweekgeschenk te schrijven: De verrekijker. Het is een verhaal waarin Van Kooten de geschiedenis probeert te achterhalen van de verrekijker die al jaren in het bezit is van de familie. Zijn vader, die als sergeant diende in het Nederlandse leger in 1940, confisqueerde de kijker van een zekere J. Treurniet, zo leidt Van Kooten af uit het herinneringsplakboek dat zijn vader over zijn legertijd maakte. Hij wil weten wat er precies gebeurd is: gaat archieven langs, belt mensen en verzint het ene scenario na het andere.

Want als de waarheid niet in het archief te vinden is, dan toch wel in de verbeelding. Helaas levert die ons in De verrekijker weinig op. Dat komt omdat hij wel nieuwsgierig is naar de feiten uit het leven van zijn vader, maar het beeld dat hij van zijn vader heeft is eigenlijk al voltooid. We kennen het uit de fragmenten in Hedonia en ander werk van Van Kooten: een bijna-sul. Dat portret wordt eigenlijk maar op één plaats in De verrekijker aangetast, wanneer Van Kooten leest hoe lyrisch zijn vader over een schietoefening kon schrijven: ‘Compagnies-vuur! 12 stukken zingen een meerstemmig lied. Kruitdamp over de heide! In volle actie! Zonder storing vliegen de piepers eruit!! Ziezoo, 6 banden met piepers zijn er doorheen gejaagd en nu de treffers opnemen.’ Terecht constateert de vredelievende zoon een half mensenleven later: ‘Kogels piepers noemen; dat is wellicht de kern van die onuitroeibare oorlogszuchtigheid.’ Dáár zit een verhaal, denk je, een duistere zijde van die goedhartige vader.

Maar dát verhaal vertelt Van Kooten niet. Hij struint door naar het woord daisy-cutters, de wijze waarop zijn ouders met de oorlog omgingen, herinneringen aan C&A (die komen ook in Hedonia voor), vier mei, lintjes en – onontkoombaar – Kees van Kooten zelf: ‘Intussen moet ik eerlijk bekennen dat ik heimelijk pissig ben dat ik zelf nog altijd geen lintje heb gekregen. Ik zou die koninklijke onderscheiding natuurlijk onverschrokken afslaan en vervolgens iedereen van mijn principiële weigering op de hoogte stellen’. Etcetera.

De verrekijker leest als een bovenmodale cabarettekst. Van Kooten springt onderhoudend en geestig van de hak op de tak en verwoordt tal van opvattingen waar je het onmogelijk mee oneens kunt zijn. Dat er van alles verloren gaat met het verdwijnen van het handschrift (zie ook de brief van Wim Kan in Hedonia) en het papieren boek: zoals het bij een eerste huisbezoek scannen van de boekenkast van de gastheer. Het zijn geen slechte vondsten, maar het is nostalgie die niets problematiseert en daarmee al snel oninteressant wordt.

Van Kooten probeert diepte aan te brengen door de lezer soms op het verkeerde been te zetten. Dan debiteert hij een aperte onjuistheid en voegt eraan toe: ‘googlet u maar’. Maar hij heeft veel flauwiteiten nodig om de tekst op te vullen (‘Daar kan dan een dwarsdoorsnede van mijn ouevre op worden uitgestald. Voor de zoveelste keer opzoeken hoe je ueovre ook alweer schrijft […] Juist: oeuvre.’

Veel vergelijkbaars staat in de ‘Literagenda’ die over de hele lengte van het Boekenweekgeschenk is gevuld met handgeschreven aankondigingen van aanstaande literaire hoogtijdagen. Ertussendoor staan al even handgeschreven aforismen. Daar is over nagedacht, zoals over vrijwel alles in De verrekijker, want Van Kootens vader was vertegenwoordiger in Rijam-agenda’s – en bij ouderwetse agenda’s horen ouderwetse spreuken. Maar als je dan leest: ‘Filmcode: en wanneer een kind door een auto is aangereden blijft één wiel van het fietsje nog heel lang doordraaien’ waan je je toch even in het Boekenweekgeschenk van de oude Wim Kan.

Je schiet zo door De verrekijker heen, dat is het probleem niet. Het onbevredigende van dit Boekenweekgeschenk is dat alles wat erin staat door dezelfde schrijver eerder al zoveel beter is gedaan. De traktatie van deze Boekenweek is niet het geschenk, maar de herdruk van Hedonia, Veertig en ander mooi oud werk van Kees van Kooten.

Welke bestsellerauteur de CPNB voor de komende jaren ook op het oog heeft (Herman Koch? Tommy Wieringa? Toch Oek de Jong?), het lijkt raadzaam om een uiterste houdbaarheidsdatum op de uitnodiging te zetten. Voor je het weet is het te laat.