De officiële canon van Nederland is veel te positief

Chris van der Heijden: Zwarte canon. Over de schaduwzijde van de geschiedenis. Atlas Contact, 176 blz. € 12,50***

De nationale zoektocht naar wat Nederland nu precies is, leidde in het begin van de 21ste eeuw tot de oprichting van het Nationaal Historisch Museum en de Canon van Nederland.

Het Nationaal Historisch Museum werd een grandioze mislukking, maar de canon met vijftig ‘vensters’ over gebeurtenissen, personen en dingen uit de Nederlandse geschiedenis die iedere Nederlander moet kennen, werd in 2009 van regeringswege aangeboden aan het onderwijs en heeft een eigen website.

De Canon van Nederland, die in 2006 werd vastgesteld door een commissie onder leiding van de Utrechtse hoogleraar Frits van Oostrom, is veel te positief, betoogt historicus Chris van der Heijden in Zwarte Canon. Over de schaduwzijde van de geschiedenis.

Slechts twee van de vijftig vensters zijn ronduit negatief, stelt hij vast: de slavernij en Srebrenica, de Bosnische stad waar Nederlandse militairen werkeloos toekeken toen ongeveer 7.000 mannen en jongens door Servische militairen werden gedeporteerd. Dat vindt hij veel te weinig en daarom formuleerde hij in een artikel in De Groene Amsterdammer in maart 2012 tien ‘zwarte vensters’, waaronder de executie van Van Oldenbarnevelt, de omgang met Joodse landgenoten en de moorden op Pim Fortuyn en Theo van Gogh.

Daaraan heeft Van der Heijden in Zwarte canon, een uitvoerige bewerking van zijn De Groene-artikel, er vijf aan toegevoegd, zoals ‘berekende verdraagzaamheid c.q. onverschilligheid.’

De grote tolerantie, waar Nederland tot voor kort bekend om stond, kwam niet voort uit overtuiging, maar uit commerciële overwegingen. Een koopman moet tenslotte met iedereen handel kunnen drijven.

Het duurt erg lang voor Van der Heijden bij de zwarte canon aankomt. De eerste helft van zijn boek bestaat uit beschouwingen over de zwarte kanten van andere westerse landen, zoals het Vichy-regime in Frankrijk. Op de canon volgt een lange uiteenzetting over geschiedschrijving.

Dit maakt Zwarte Canon tot een brokkelig en warrig geheel. Maar duidelijk wordt wel dat Van der Heijden niet alleen de Tweede Wereldoorlog ziet als een grijs verleden, zoals het geruchtmakende boek heette dat hij in 1991 publiceerde over Nederland in de Tweede Wereldoorlog, maar de hele geschiedenis. Die is ‘een afwisseling van mooie en minder mooie zaken. [...] Zoet en zuur, wit en zwart, goed en slecht, ze kunnen niet zonder elkaar.’ Van der Heijden blijkt een onvervalst postmodernistische historicus. Dé feiten bestaan niet en de voorbije werkelijkheid ook niet, concludeert hij, onze kijk op het verleden heeft zich verplaatst van zijnswijze naar zienswijze.

Ten slotte mondt zijn betoog uit in een verwerping van de hele canon, zwart én wit, en een pleidooi voor ‘principieel cultuurrelativisme’.

Het is helemaal niet nodig om te weten wie Karel de Grote is, zo besluit Zwarte Canon. ‘We leven letterlijk en figuurlijk in een web met miljoenen vertakkingen, dát moeten we onze kinderen leren.’