De Nederlander bestaat niet. De Nederlander bestaat wél

Nelleke Noordervliet: De leeuw en zijn hemd. CPNB, 64 blz. € 2,50

Zelfrelativering is een vorm van arrogantie. En zo getuigt de keuze voor een thema als ‘Gouden Tijden, Zwarte Bladzijden’ ook van enig historisch narcisme. Nu is dat een mooi onderwerp dat de gesprekken en verhalen er de komende week alleen maar beter op zal maken. Maar wat verstrekt ons eigenlijk de eer om zo bovenmatig in onszelf geïnteresseerd te zijn?

Dat is de vraag die Nelleke Noordervliet in haar Boekenweekessay stelt. In De leeuw en zijn hemd gaat ze op zoek naar de wortels van ons Nederlanderschap. Prinses Máxima kan wel hebben verklaard dat dé Nederlander niet bestaat, Noordervliet vindt het wat overdreven ons bestaan te ontkennen. Maar dan rest de vraag: wat is een Nederlander?

Noordervliet zoekt het antwoord in ons roemruchte verleden. Als een soort embedded journalist keert ze terug naar de Gouden Eeuw, de Bataafse Republiek, de vorige eeuwwisseling, toen Nederland zich weer groot waande en in Indië huishield en de Boeren in Zuid-Afrika steunde. Ze eindigt haar reis in de jaren vijftig wanneer met de terugkeer van Joden uit de kampen, collaborateurs uit Duitsland en Nederlanders uit Indië vele identiteiten en belaste verledens naast elkaar komen te leven. Met de kennis van nu gaat ze op pad en stelt ze vragen aan ondermeer de Heren XVII, handelaren, profiteurs, uitgestotenen, Albert Verwey en Johan Huizinga.

En met die kennis van nu is het dan bijvoorbeeld gemakkelijk om Willem van Focquenbroch de morele verwerpelijkheid van de slavernij voor de voeten te gooien, zoals de journalist Noordervliet doet wanneer ze hem ‘bezoekt’ in Ghana. Toch pakt haar opzet goed uit – distantie maakt plaats voor betrokkenheid.

En dat is wat uit De leeuw en zijn hemd spreekt en waardoor het een prettig leesbare, korte geschiedenis is geworden, geschreven met gevoel voor ironie. Geestig is de passage over Aletta Hulshoff die ten tijde van de Bataafse Republiek woedende pamfletten schreef waarin ze alles en iedereen hekelde.

Ze werd gevangengezet omdat ze een gevaar voor de samenleving vormde. Niemand minder dan de dichter Willem Bilderdijk verdedigde haar ‘met het argument dat ze niet zozeer een politiek gevaar was, als wel een dweepzieke dame die eigenlijk in een gesticht hoorde. Met dat soort vrienden, heb je geen vijand nodig.’

Het Koningshuis wordt nog even op zijn nummer gezet, wanneer Wilhelmina met een palletje en wat schildersattributen in de hand een hoge toon opzet over hoe de Britten in de pan gehakt moeten worden in Zuid-Afrika. Elders staan er zinnetjes als ‘In 2013 zal de huidige Prins van Oranje vast wel op 30 november in een historische re-enactment de rol van zijn voorvader spelen. Ik huiver bij de gedachte aan die poppenkast. Alsof het Koninkrijk een vooruitgang was. We zijn dan wel gewend aan de Oranjes, maar zijn in diepste wezen een republiek.’

Uiteindelijk loopt Noordervliet met Huizinga op en vertelt hem over haar zoektocht. De ambities van het kleine boekje worden dan waar gemaakt: Huizinga en Noordervliet komen samen tot de conclusie dat de Nederlander uiteindelijk iemand is die een historische canon relativeert, in het comfortabele besef van de eigen grootheid.