Belast met een erfschuld

Soldaten uit het Afrikakorps van de Wehrmacht in WO II, gemaakt door Brunton’s Barracks, in Prescott, Arizona

Foute mannen vissen graag. Zowel de vader van zangeres-theatermaakster Leoni Jansen (1955) als die van journalist-schrijver Marcel Rözer (1959) namen hun kinderen regelmatig mee uit vissen, zo blijkt uit hun boeken, Geheim en Zo vader, over het oorlogsverleden van hun vaders. Wim Jansen (1922-1999) diende in WO II in het Afrikakorps van Wehrmacht-generaal Erwin Rommel, verbleef twee jaar als krijgsgevangene in de Verenigde Staten en werd, terug in Nederland, in 1947 tot vier jaar gevangenisstraf veroordeeld wegens landverraad.

Kurt Rözer (1923-1998), zoon van een NSB’er in het Achterhoekse dorp Ulft, werd in 1943 Panzergrenadier van de Waffen-SS, vocht aan het Oostfront en zat na afloop van de oorlog twee jaar gevangen in het voormalige Duitse concentratiekamp Vught.

Wat beide vaders ook delen is dat ze niet of nauwelijks over hun oorlogsverleden spraken. Leoni Jansen kreeg op haar zestiende heel in het kort te horen dat haar vader in het Duitse leger had gediend. Bij Marcel Rözer thuis werd nooit over de oorlog gesproken. Op een familiebijeenkomst bij zijn grootvader hoorde hij als kleine jongen toevallig dat zijn vader in Rusland was geweest. Maar wat hij daar precies had uitgespookt, kwam hij tijdens zijn vaders leven nooit te weten.

Zowel Rözer als Jansen gingen pas na de dood van hun vader eind jaren negentig op zoek naar hun oorlogsverleden. Jansen reisde naar Tunesië, waar haar vader in 1943 bij Envidaville door de geallieerden gevangen was genomen, en naar New Mexico, waar hij als krijgsgevangene in een kamp verbleef. Ook ging ze naar Veenhuizen, de voormalige pauperkolonie waar hij na zijn veroordeling gevangen zat. Tot schokkende ontdekkingen leidden de reizen niet, wel tot lang uitgesponnen verslagen.

Het grootste nieuws vindt Jansen in het Nationaal Archief in Den Haag. Uit het dossier van haar vader blijkt dat hij niet alleen soldaat in het Afrikakorps was, maar ook lid van de NSB. Toch ziet ze hem niet als een nazi. ‘Nergens vind ik ook maar iets terug van een foute ideologie’, schrijft ze. Net als de half-Joodse schoonmoeder van haar vader concludeert ze dat hij als jongeling in de oorlog een fout maakte, maar geen ‘foute man’ was.

Meer dan een zoektocht naar het foute verleden is Geheim de geschiedenis van een gezin in de jaren vijftig en zestig en vooral van de verhouding van Jansen met haar grillige, moeilijke vader. Uiteindelijk raakte Jansen met hem gebrouilleerd. Tegen het einde van zijn leven vond ze hem onuitstaanbaar, maar door haar nieuwe kennis van zijn oorlogsverleden heeft ze iets meer begrip voor hem gekregen.

Ook Marcel Rözer heeft van zijn zoektocht naar het oorlogsverleden van zijn vader een hoogstpersoonlijk verhaal gemaakt. Maar anders dan Jansen heeft hij geen getroebleerde verhouding met zijn vader. Hij hield van hem en bewondert hem nog altijd, schrijft hij.

Het graven in het oorlogsverleden van zijn vader is ook een onderzoek naar hemzelf. Rözer heeft het gevoel dat hij een ‘erfschuld’ heeft: ‘Ik mag in elk geval nooit falen in een keuze tussen goed en kwaad’. Bij zo’n zelfonderzoek ligt larmoyant zelfmedelijden op de loer, maar Rözer bezweert dit gevaar door zijn sobere stijl. In korte zinnen en zonder al te veel grote woorden schrijft hij over de angstaanvallen waar hij al sinds zijn studietijd in Nijmegen onder lijdt en de psychotherapie die hij de afgelopen jaren heeft ondergaan. Ook het oorlogsverleden van zijn vader, zijn grootvader en zijn ooms geeft hij zonder opsmuk weer.

Voor de beschrijving van de belevenissen van zijn vader aan het Oostfront, gaat Rözer over op fictie. Een nachtelijke slag met de Russen beschrijft hij alsof hij door de ogen van zijn vader kijkt: ‘Schimmen worden zichtbaar. En nog meer schimmen. En nog meer. Hij pakt zijn verrekijker. Hij slikt. Grijpt zijn veldtelefoon en belt: ‘‘Es passiert heute. Iwan kommt.’”

Door gesprekken met oude Ulftenaren die de oorlog hebben meegemaakt ontdekt Rözer tot zijn opluchting dat zijn grootvader niet de ergst denkbare NSB’er was. Hij waarschuwde bijvoorbeeld een gezin met grote zonen dat er een Duitse razzia op komst was. Ook redde hij het leven van een gewonde verzetsman door zijn arm, die nog maar aan een paar pezen hing, af te knippen. Maar tot een echte oplossing voor zijn angsten leidt dit soort ontdekkingen niet. Tegen het einde van Zo vader stelt Rözer vast dat hij net als zijn vader is en dat ‘de oorlog in hem zit’. Hij zal zijn leven lang ‘een verstandige met een beperking’ blijven, zegt hij tegen zijn therapeut: ‘Ik weet hoe wankel het allemaal is.’