Als ze maar niet zeggen dat die Amsterdammer bang was

David Smalhout: Daarheen en weer terug. Met een voorwoord van Nico Frijda. Van Oorschot. 176 blz. € 17,50.****

Het verhaal over de concentratiekampen is al wel eens eerder verteld, en misschien ook wel eens indringender. Toch heb ik Daarheen en weer terug, van David Smalhout (1919-1989), een Joodse Amsterdammer, bijna ademloos uitgelezen. Hij overleefde Theresiënstadt, Auschwitz en Meuselwitz, een subkamp van Buchenwald. Zijn ouders en veel andere familieleden kwamen om, maar zijn vrouw Hanneke keerde terug uit Mauthausen.

David Smalhout begon zijn kampervaringen meteen na thuiskomst op schrift te stellen, van juli 1945 tot half april 1946. Hij richtte zich bij het schrijven tot een lezer (‘Voor ik verder ga zal ik u eerst iets vertellen over de Zentralstelle’), maar liet het manuscript vervolgens rusten. Vijfenvijftig jaar later werd het alsnog door zijn zoon naar buiten gebracht.

Wat opvalt is de ferme, onsentimentele toon. Smalhout is vooral uit op waarheidsgetrouwe feiten en niet op geklaag. Ook wil hij niet te veel details prijsgeven. Als hij vertelt over nachtelijke vechtpartijen met lotgenoten om een zitplaatsje in een overvolle treinwagon, dan schrijft hij: ‘’s Morgens waren er nog maar vijfennegentig man over. Meer wil ik hier niet van zeggen.’ Wel geeft hij af en toe lucht aan zijn verontwaardiging. Zijn boosheid richt zich op bezetters en moffen, op sadistische SS’ers en blokoudsten, maar een enkele keer ook op de medegevangenen. Van internationale verbroedering was volgens Smalhout in de kampen weinig te merken.

Het kost hem soms grote moeite om het onvoorstelbare dat hem overkwam, in woorden te vatten. In Theresiënstadt heerste een relatief mild regime. ‘Doch wat was het er smerig’, verzucht hij. ‘Om zich daar een voorstelling van te kunnen maken moet men in Theresiënstadt zelf geweest zijn.’ Aan galgenhumor en zelfspot ontbreekt het Smalhout niet. Dat is ook precies wat Daarheen en weer terug bij alle zwarigheden verteerbaar maakt. Bij zijn aankomst in Meuselwitz, eind oktober 1944, betreurde hij het zeer dat hij niet ooit metaalbewerker was geworden. Dan had hij in de munitiefabriek kunnen werken: een door alle gevangenen begeerde bezigheid die enige levenszekerheid bood. Toen er vervolgens ook nog emplooi bleek te zijn voor tien leerling-metaalbewerkers, was hij er als de kippen bij om zich aan te melden. Na enig duw- en trekwerk werd hij inderdaad uitverkoren.

Maar de tien ‘overwinnaars’ zouden die dag geen draaibank zien. Ze werden onder voortdurend getier van een paar SS’ers naar een wagon met koolrapen gebracht, die ze moesten lossen. Naderhand werden ze hartelijk uitgelachen door de anderen, ‘die ’s morgens tien kiezen hadden willen missen om toch maar bij ons groepje te zijn.’

In hetzelfde kamp beleefde Smalhout toch ook nog een soort finest hour. Hij nam, alweer met negen anderen, deel aan het zogeheten Himmelfahrtcommando. Dit commando bleek in het stadje Meuselwitz een niet ontplofte Engelse bom te moeten bergen en demonteren. Aan hem viel de twijfelachtige eer te beurt de ontsteking uit de blindganger te mogen halen. Zijn leven stond voor de zoveelste keer op het spel, maar hij liet zich niet kennen en hield, al schroevend, het hoofd koel. ‘Ze moesten later niet kunnen zeggen dat die Amsterdammer bang was geweest.’

Dat zal inderdaad niemand durven beweren, die deze onverschrokken oorlogs- en kampherinneringen heeft gelezen.