Vervoerders zijn versplintering beu

Jarenlang zagen ze elkaar bijna niet staan, maar nu willen de be- drijven in het openbaar vervoer beter samenwerken. „Ten dienste van de reiziger”, zo kondigden ze vandaag aan.

Op het treinstation Zutphen betekent concurrentie in het openbaar vervoer drie verschillende incheckpalen. Foto Rien Zilvold

Nodeloos ingewikkeld vindt hij het, reizen met het openbaar vervoer. De 61-jarige Paul van Dommelen uit Apeldoorn zit vaak in de trein. Als hij overstapt staat hij geregeld met zijn ov-chipkaart voor drie incheckpalen van drie verschillende vervoerders.

„Hoe moet ik nou weten of ik net met Arriva of Syntus heb gereisd, of juist ga reizen?” Daar is via informatieborden niet snel achter te komen, zegt hij. „En al die treinen lijken op elkaar.” Oké, geeft hij toe, NS-treinen zijn vaak geel. „Maar ze hebben ook blauwe. En de rest is helemaal niet uit elkaar te houden.”

Al een paar keer checkte Van Dommelen per ongeluk in bij de verkeerde vervoerder. „Dan krijg je gewoon een boete, hoor.” Zeker met de ov-chipkaart – „op zich een handig ding” – zou reizen met het openbaar vervoer eenvoudiger moeten zijn, vindt hij.

En dat vindt de ov-sector ook. Vervoersbedrijven, overheden en reizigersorganisaties presenteren vandaag een gezamenlijk plan om meer en beter samen te werken, „ten dienste van de reiziger”. Dat is namelijk, staat in hun plan, „de hoogste tijd”.

Door middel van vijftien concrete voorstellen willen de partijen, waaronder de NS en regionale vervoerders als Connexxion en Veolia, hun diensten verbeteren. Dit moet er ook voor zorgen dat ze voor 2020 zo’n 20 procent meer reizigers vervoeren.

Het initiatief Samen op reis komt niet van de vervoerders zelf, maar van reizigersorganisatie Rover en duurzaamheidsorganisatie Urgenda. De aanleiding is helder. „De ov-sector opereert niet gezamenlijk”, zegt Arriën Kruyt, voorzitter van Rover. En dat zorgt voor problemen, zegt hij.

Neem de „tarievenchaos” die nu heerst. „Elke vervoerder en decentrale overheid heeft zijn eigen kortingskaarten en abonnementen, met eigen prijzen. Onhandig”, vindt Kruyt. De deelnemende partijen gaan daarom gezamenlijk een landelijk aanbod van producten en tarieven ontwikkelen.

De ‘initiatiefgroep’ heeft zich verder onder meer voorgenomen bussen en treinen beter op elkaar te laten aansluiten en de reisinformatie op stations – die verschillende vervoerders nu nog apart aanbieden – te bundelen. Ook is het de bedoeling dat reizigers bij een overstap niet meer hoeven in en uit te checken als ze wisselen van vervoerder – waar reizigers als Paul van Dommelen uit Apeldoorn zich zo aan ergeren.

Deze poging tot samenwerking door de ov-sector is „een doorbraak”, zegt vervoersdeskundige Maarten Veraart. Het is volgens hem „bijna niet uit te leggen” waarom men nu al niet beter samenwerkt. „De kwaliteit van het openbaar vervoer is afhankelijk van de afstemming van diensten tussen verschillende aanbieders.”

Veraart, die promoveerde op een onderzoek naar onder meer de privatisering van de NS, is positief over het plan, met name omdat er vijftien concrete samenwerkingsprojecten zijn afgesproken. „Straks kunnen we dus constateren welke zijn gelukt, en welke niet – en waarom niet.”

Dat het nooit eerder tot zo’n gezamenlijke actie kwam, is volgens Veraart een gevolg van de decentralisatie van het regionale openbaar vervoer. Daardoor werden provincies en stadsregio’s verantwoordelijk voor de vervoersconcessies. „Dat heeft tot versplintering geleid”, constateert Veraart. „Maar de reiziger moet niet worden lastiggevallen met de gevolgen daarvan.”

Arriën Kruyt van Rover denkt dat ook de marktwerking in het openbaar vervoer eerdere samenwerking in de weg stond. Vervoersbedrijven, met name in het stads- en streekvervoer, moeten elkaar „bevechten” om concessies, legt hij uit. Gevolg: concurrentie – en dus geen samenwerking.

De vervoerders zijn enthousiast. Met dit initiatief, zegt directeur Pedro Peters van de Rotterdamse regiovervoerder RET, „laten vervoersbedrijven zien dat ze zich op de reiziger richten, in plaats van op de opdrachtgever”. Al zijn er volgens hem nog wel wat hobbels: „Wie betaalt wat? Wie krijgt de opbrengsten? Dat ligt altijd gevoelig.”

Directievoorzitter Ingrid Thijssen van NS Reizigers spreekt van „een concrete stap van de ov-sector om buiten haar eigen (bedijfs)grenzen te kijken en te komen tot oplossingen voor de reiziger”. Volgens haar maken de voorstellen het reizen met het openbaar vervoer aantrekkelijker.

Reiziger Paul van Dommelen noemt het voornemen „een goede zaak”. Maar: „Op concrete verbeteringen zullen we nog wel even moeten wachten.” Hij lacht. „Voorlopig blijf ik gewoon goed opletten bij het in- en uitchecken.”