Tijdreizen met Neo Rauch

In 1999 stormde de Duitse schilder Neo Rauch de kunstwereld binnen met vreemde archaïsche schilderijen vol vlezige meisjes, slagers en Napoleontische figuren. Een tentoonstelling in Brussel laat zien wat er met zijn werk is gebeurd sinds de hype.

Neo Rauch, ‘Nest’, 2012. Olieverf op doek, 300 x 250 cm. Collectie De Heus - Zomer Foto Uwe Walter

Hij legt niets van tevoren vast, zegt hij. Het linnen is blanco, de kwasten liggen schoon in de hand, de verftubes zijn binnen bereik. In zijn atelier in een voormalige katoenspinnerij aan de rand van Leipzig schildert de Duitse superster-kunstenaar Neo Rauch (1960) zonder een nauw gedefinieerd idee over hoe en wat. Compositie, kleurgebruik, motieven, schilderstijl – het kruipt gewoon onder zijn handen vandaan. Hij schildert zo, zegt hij in interviews, omdat schilderen „een groot avontuur” moet blijven.

Plotseling kan er op het doek dus een man als Napoleon tevoorschijn kruipen, die stoeit met een Whammy – zo’n reuzenpot knalvuurwerk. Achter zijn rug staat een raket op het punt van lanceren. Vanuit de hemel komt een man in aanvalshouding aangesuisd. Daaromheen ontvouwt zich een kerstlandschap met dennenbomen die staan te dromen onder een jasje van sneeuw, een walmend fabriekspijpje en hout dat is gehakt voor de open haard.

Zo ‘avontuurlijk’ als in Versprengte Einheit (2010) kan het schilderen dus zijn. Anachronistisch. Krankzinnig. Glibberig. Onbegrijpelijk. Een stoofpan vol ingrediënten in vette kleuren opgediend. „Mijn schilderijen hebben iets vitaals”, noemt de kunstenaar dat. „Je hoeft ze niet te begrijpen, alleen te voelen dat dit schepsel, dit dier, in de hoogst mogelijke graad, vrede heeft met zichzelf.”

Rauch kan mooi vertellen. Maar wat hij vertelt, is een sprookje. Dat sprookje gaat over de oorspronkelijkheid van het kunstwerk, over creativiteit en schilderkunst die stroomt als woest water. Verzamelaars en veel musea horen het graag. Maar met Rauch en zijn werk heeft het jammer genoeg weinig van doen.

Dat blijkt op een overzichtstentoonstelling die in het Brusselse Paleis voor Schone Kunsten is te zien. Zo’n zestig, vooral reusachtige doeken en een tiental werken op papier uit de periode tussen 1993 en 2012 geven de Belgen een eerste introductie in Rauchs werk. Nooit eerder had Neo Rauch een tentoonstelling in België (of Frankrijk). En dat mag gerust een mirakel heten.

Arbeidersparadijs

Rauch is van een generatie kunstenaars die is opgegroeid in het arbeidersparadijs van de DDR maar jong genoeg om niet met de onderdrukkende ideologie ervan te worden geassocieerd. Opgeleid aan de ambachtelijke Hochschule für Grafik und Buchkunst in Leipzig, sijpelt zijn naam begin jaren negentig door naar West-Duitsland, samen met die van Gerd Harry Lybke, de eigenzinnige eigenaar van galerie EIGEN + ART in Leipzig. Het kleine gaatje wordt een gat, een nog groter gat wordt uitgeslepen, en dan breken de dammen. In 1999 en 2000 is er de iconische groepstentoonstelling After the Wall in Stockholm en Berlijn, waar Rauch met zijn vreemde archaïsche doeken over gebutste heilstaten tot vaandeldrager wordt uitgeroepen van een complete schilderschool: de Neue Leipziger Schule.

Pop-art, conceptuele kunst, surrealisme, socialistisch-realisme, abstracte kunst – alles dwarrelt rond in de doeken van Rauch, alles is onthecht en ontzield, maar wat is het knap geschilderd. Op de Biënnale van Venetië in 2001, waar Harald Szeemann hem een ereplaats geeft, klinkt de buzz: heb je Rauch al gezien en wat vind jij ervan? Is hij een reactionaire eendagsvlieg of juist een groot, provocerend talent? New York Times-critica Roberta Smith doopt hem met een knipoog naar John le Carré: ‘The Painter who came in from the Cold.’

Verzamelaars verdringen zich in het atelier. Blinde bestellingen worden geplaatst. In 2009 telt Brad Pitt op Art Basel een miljoen dollar neer voor een doek: hij zal er een jaar op moeten wachten. Overzichtstentoonstellingen zijn er van Tokio tot New York, van Maastricht tot Mumbai. Rauch en Lybke zijn inmiddels multimiljonair, de katoenspinnerij in Leipzig uitgegroeid tot dé creatieve hang-out van de stad.

Terugblik

De tentoonstelling in Brussel geeft de kans om op een bijzondere manier te kijken wat er is gebeurd sinds de hype in 1999. Want in plaats van de chronologie te volgen en te beginnen met de oudste, tamelijk geserreerde werken, is er gekozen voor een letterlijke terugblik. Dat betekent dat we beginnen met de Neo Rauch van nu en dan via zeven zalen terugstappen naar twintig jaar terug.

De binnenkomer is meteen een megaklapper van vijftien meter omvang. Op Zähmung (2011) aait Dansmarieke een grauwe giraf, terwijl hijskranen huizen slopen, een Holle Bolle Jan in korte broek met een fakkel zwaait, bouwvakkers met even grote lijven als kleine hoofden achter tekentafels zitten, een vogel in een hoek sterft, en her en der abstracte vlakken en vreemde vormen opduiken.

Zähmung is ondanks zijn grootte een hologig doek. Het kleurgebruik is vlak en alles uit dezelfde tube. Het groen van de gesloopte muren is hetzelfde als dat van hijskraan, broek, en abstract frutsel. De figuren staan naast elkaar, bij elkaar, verlopen in elkaar, maar hebben niets met elkaar. Empathie ontbreekt op elk vlak – zowel menselijk, als schilderkunstig. Stijl is uitgebannen, de wereld is een sjabloon, iedereen is wees.

Na deze prelude begint de werkelijke tijdreis. Het voordeel dat curator Harald Kunde met zijn opzet bewerkstelligt is niet te onderschatten: als kijker zoek je niet naar een beginpunt dat naar een bepaald doel leidt. Je kijkt terug met de kennis van nu. Wat dan duidelijk wordt, is hoe goed de schilderijen uit de jaren negentig zijn. Ze zijn spaarzaam maar heel effectief in het oproepen van beklemming en dreiging.

Der Durchblick (1997) bijvoorbeeld is een totaal onlogische mengeling van driekwart abstract en een kwart figuratief. Via een benauwde gleuf kijk je in een hangar vol futuristische pantserwagens. De kleuren zijn licht en helder, de werknemers drentelen in gele pakken om de machines heen. Binnen is alles angstig schoon. Buiten dreigt de abstracte chaos.

Dat verandert in de latere schilderijen. De voorstellingen worden barok, de fantasie slaat op hol, maar de spanning verdwijnt. De kleuren zijn eendimensionaal – alsof de verf in megaverpakkingen is aangeschaft en op drie, vier schilderijen tegelijk wordt ingevuld. Elementen waar je je aanvankelijk om verbaast – de vlezige meisjes, de mannen in napoleontische kostuums, de slager-arbeiders, de paradepoppen – verliezen hun zeggingskracht. Ze worden inwisselbaar, als in een plakplaatjesboek. Klaar voor gebruik. Doorgesmeerd. De weg is duidelijk dáár. En het avontuur? Dat is iets van heel lang geleden.

Jammer Neo, je kunt zoveel beter.

Neo Rauch: de obsessie van de demiurg: werken uit 1993-2012. T/m 19 mei in het Paleis voor Schone Kunsten, Ravensteinstraat 23, Brussel. Catalogus € 34,90. Inl: www.bozar.be