Slachtoffers?

‘Het gebeurt uit verslaving, niet uit vrije wil”, zei Pauline Dekker, longarts en actievoerster tegen de rookindustrie, deze week in De Wereld Draait Door. Alleen in de jeugd van de gebruiker is er een moment van vrije keuze, legde ze uit, „voor de rest is het verslaving”. Rokers noemde ze „ongelofelijk zielig, ze zijn willens en wetens verslaafd gemaakt”.

Ik moest meteen aan mezelf denken en aan een groot aantal voormalige rokers in mijn omgeving. Waren we zielig geweest? Ik kon me niet herinneren dat we er zo over gesproken hadden.

‘Onwetend’ hadden we ons soms genoemd, maar zelfs dat was niet helemaal waar geweest.

Toen we in de jaren zestig begonnen te roken, hadden we heus wel eens signalen over de kwalijke gevolgen opgevangen. Maar ook toen leefde je, net als nu, maar één keer, dus kom, laten we er nog eentje opsteken. Zo verging het ook mijn vader die een leven lang rookte – en stierf aan longemfyseem.

Als je rokers zielig noemt, maak je hen dan niet te veel tot slachtoffer? En legitimeer je daarmee niet in zekere zin hun verslaving? Wanda de Kanter, collega-actievoerster, heeft gezegd: „We willen laten zien wie de tabakslobbyisten zijn. We vinden dat zij zich schuldig moeten voelen in plaats van rokers met longziektes.”

Tabakslobbyisten mogen zich zeker schuldig voelen, maar daarmee hoeft de roker nog niet van elke verantwoordelijkheid voor zijn gewoonte ontslagen te worden. Roken mag dan een vorm van verslaving zijn, toch valt mij steeds weer op dat veel mensen er gemakkelijker mee kunnen ophouden dan ze hadden verwacht. De klassieke waarschuwing van de behandelende medicus kan al voldoende zijn: „Als u zo doorgaat, graaft u uw eigen graf.”

Als je zulke mensen na een poosje vraagt of ze het roken erg missen, blijkt vaak dat het ze reuze is meegevallen. Dat is ook mijn eigen ervaring geweest. Ik rookte vanaf mijn achttiende tot mijn veertigste 10 tot 15 sigaretten per dag. Totdat een vriendin van ons, werkzaam in een ziekenhuis, vertelde over de macabere longfoto’s die ze van rokers had gezien.

Mijn vrouw stopte daarop subiet, ik ging over op sigaren die je immers beter niet „over de long” kon roken. Dat vermeed ik ook, maar desondanks bleef ik een rokershoest houden. Toen ben ik in arren moede na een jaar of vijf helemaal gestopt.

Ik heb het hooguit een maandje gemist – vooral na het eten en tijdens het drinken van alcohol. Na een half jaar dacht ik er nauwelijks meer aan. Als ik nu mensen zie roken, voel ik geen enkele verleiding meer. Merkwaardig genoeg kan ik nog wel genieten van de reuk van een sigaret, vooral bij het eerste ‘haaltje’ van iemand. Verder heb ik alleen maar spijt dat ik er ooit aan begonnen ben. Maar ik ben daar zelf verantwoordelijk voor, niemand anders.

Graag zou ik de schuld geven aan Hans Hillen, Edith Schippers, Arno Rutte en Irene Asscher, en al die andere (ooit) aan de tabaksindustrie gelieerde mensen, die nu door de actievoerders van de website Tabaknee.nl op de korrel worden genomen, maar daarmee zou ik het mezelf wel erg gemakkelijk maken.

Toch wens ik de actievoerders veel succes, hun missie verdient het. Het verweer van de ‘tabakslobbyisten’ klinkt tot dusver zwak en ontwijkend. Zij ontkennen, vergoelijken of bagatelliseren hun banden met de tabaksindustrie, kortom, zij gedragen zich als een roker die zijn hardnekkige hoest toeschrijft aan een lichte verkoudheid.