‘Sarkozy vroeg er gewoon om’

De Nederlandse politiek tekenaar Bernhard Holtrop, alias Willem, ontving onlangs de prestigieuze stripprijs ‘Grand Prix de la Ville d’Angoulême’ voor zijn gehele oeuvre.

Als enige staat hij op de kade als de roestige veerboot de haven van Groix binnenklotst. Licht voorover hellend, zijn lange witte piekhaar door de straffe noordenwind alle kanten uit. Vakantiegangers zijn er niet. Niemand anders wordt opgehaald.

„Wat moet je hier ook”, bulderlacht Bernhard Holtrop (71) minuten later in een busje dat ons langs koeien, een kerk en opmerkelijk veel cafés naar zijn huis voert. De Nederlandse tekenaar, onder zijn tweede naam Willem een van de bekendste van Frankrijk, weet het zelf ook nog niet precies. „Maar de mensen zijn erg aardig hier”, zegt hij. „Mijn vrouw kent ze allemaal. Ze zoenen haar allerhartelijkst.”

Sinds 1968 woont Holtrop in Frankrijk. Hij tekent ruim dertig jaar voor het linkse dagblad Libération, nog altijd vijf politieke prenten per week. Vrijer werk, vaak nog iets meer morbide ook, staat wekelijks afgedrukt in het satirische blad Charlie Hebdo, tegenwoordig vooral bekend van de Mohammed-cartoons.

Op het stripfestival van Angoulême ontving Holtrop vorige maand voor zijn gehele oeuvre de prestigieuze ‘Grand Prix de la Ville d’Angoulême’. Een „aai over de bol”, noemt hij die belangrijkste stripprijs van Europa zelf. De „Koning van Angoulême”, schreef Libération een dag later, leeft sinds kort „teruggetrokken in Bretagne”.

In Parijs, daar bezocht Holtrop de tentoonstellingen, de vernissages en de kunstenaarsfeestjes. Menig dranklokaal in het Quartier Latin rekende hem tot de vaste clientèle. In Groix is wat minder te doen. Cultuur is er eigenlijk nauwelijks, zegt hij, de wekelijkse filmvertoning en de aquarelletjes aan de muur van het plaatselijke hotel daargelaten.

„Mijn vrouw wilde uit de stad weg”, verklaart hij het vertrek, na meer dan veertig jaar, uit Parijs. Zijn atelier in Montmartre gaf hij op, het huis in de banlieue werd verkocht. Mevrouw Holtrop ging vooruit, hij pendelde op en neer voor de weekends, tot hij zich afgelopen jaar definitief bij haar voegde. „Ik miste haar verschrikkelijk”, zegt hij.

Plattelandsleven

Ile de Groix is in oppervlak ongeveer de helft van Vlieland. Omdat Holtrop door een merkwaardige samenloop van omstandigheden („iets in een café”) ooit voor een filmjury op Groix gestrikt werd, viel de keus op juist dit eiland. „Prachtige naam, niet? Alsof je spugen moet.” Maar voor de zekerheid is ook een pied-a-terre in Parijs gezocht. „Ik moet mijn draai in het plattelandsleven nog wat vinden.”

Het busje zet ons bijna voor de deur af. Binnen trekt Holtrop aan een lange houten tafel een fles rode wijn open. Hij vertelt hoe hij in de avondzon een glas dronk op het bankje voor het huis toen twee toeristes van hun fietsen stapten om zich naast hem op de foto te laten zetten. „Zo’n karakteristieke ouwe Franse visser, dachten ze. Ik heb het maar laten gebeuren.” Weer die bulderende lach.

En hij vertelt hoe hij in Parijs belandde. En vooral, dat dat niets te maken had met die beroemde veroordeling, in 1967, wegens majesteitsschennis. Holtrop was een van de oprichters van het Provoblad God, Nederland en Oranje en tekende voor het eerste nummer koningin Juliana, met de rokken omhoog, als raamprostituee met een prijskaartje van 5,2 miljoen gulden: toen de kosten van het koningshuis. Het leverde hem een boete van 200 gulden op.

„Ik wilde perstekenaar worden en in Frankrijk had je van oudsher die politieke tekencultuur”, zegt hij. „Al in 1961 kwam ik voor het eerst liftend naar Parijs en liet mijn werk zien bij Hara-Kiri, dat bizarre blad waar je toen bij wilde horen. Voor Nederlandse tekenaars was in die tijd The New Yorker het hoogst haalbare, maar die tekeningen vond ik persoonlijk te fijnzinnig. Hara-Kiri was meer van dik-hout-zaagt-men-planken, mijn stijl.” Donkere humor ook, met seks en geweld, het absurdisme van omnikunstenaar Roland Topor, die zijn vriend zou worden. Het zou zijn stijl voor altijd beïnvloeden. „Jaar na jaar probeerde ik het en in 1968 zeiden ze voor het eerst ‘ja’. Toen had ik mijn nieuwe vaderland gevonden.”

Holtrop groeide op in het gereformeerde Ermelo, waar zijn vader huisarts was. „Ik was mislukt op drie middelbare scholen en dacht mijn vader een plezier te doen door in ieder geval op de kunstacademie nog een diploma te halen. Dan was ik niet helemaal niets meer. Thuis hadden we boeken van tekenaars als Albert Hahn. Die had ik verslonden. Zoiets wilde ik ook.”

Na die opleiding tekende hij behalve voor de provobladen voor het ter ziele gegane weekblad de Nieuwe Linie voordat hij naar Parijs vertrok. „In Amsterdam kwam je niet aan werken toe. Provo was leuk, maar toen het blad in 1967 werd opgeheven zat je alleen nog met mensen in cafés die allemaal prachtige plannen hadden waarvan je meteen wist dat er nooit wat van terecht zou komen. In Parijs moest je hard werken om op niveau te blijven. Er waren honderden tekenaars en maar een paar bladen waar ze in wilden staan.”

Hij ontmoette er zijn Noorse vrouw, kreeg er kinderen en tekende zich „tussen kroegbezoek en cocktailparty” een inkomen bij elkaar. Wat zijn familie van de tekeningen vond, weet hij niet. „Ik heb er met mijn vader nooit over gesproken. Maar toen hij in 1969 overleden was, trok ik thuis in Ermelo een la open en bleek dat de goede man al die provoblaadjes had gekocht. Dat zou je ontroerend kunnen noemen.”

IJsklontjes

Het rommelt in de keuken. „Daar zul je Medi hebben”, zegt Holtrop. Zijn vrouw, die ook tekent, was winkelen op de vaste wal en komt terug met een cd van Nick Cave en een geavanceerd ding om ijsklontjes mee te maken. Ze bekijkt een die dag ontvangen uitnodiging voor een tentoonstelling van de in 2010 overleden illustrator Peter Vos in het binnenkort wegens bezuinigingen sluitende Institut Néerlandais in Parijs.

„Godverdomme, ja dat gaat dus ook alweer dicht”, zegt hij.

Zij: „Maar als ze bij dat ministerie geweten hadden hoeveel wij op kosten van dat instituut gedronken hebben, dan was dat al veel eerder gebeurd.”

Hij: „Man, die jenever.”

En dan: „Trouwens, wist je dat ik voor het Beestenkwartet van Peter Vos nog de kloothommel en de schijtlijster heb aangeleverd?”

Medi opent een fles champagne.

„Toen Bernhard in Angoulême genomineerd werd”, zegt ze, „wist ik gewoon dat hij de prijs zou krijgen. Ik zei: blijf nog even, maar hij ging na de eerste dag naar huis.”

Hij: „Ja, kom nou zeg, ik ben niet echt een striptekenaar. En als je minder dan 30.000 exemplaren per boek verkoopt, zoals ik, dan tel je niet mee daar. Maar het bleken deze keer collega’s die mochten stemmen. Jarenlang heb ik hun boeken besproken, dus ze voelden zich natuurlijk verplicht om mij te kiezen.”

Zij: „Bij zo’n oude man wilden ze niet te laat zijn.”

Hij: „Dan staan ze volgend jaar toch raar te kijken dat ik nog in leven ben.”

Zijn uitgever nam de prijs, een bokaal die een glazen kat moet voorstellen, in ontvangst. Libération, net als Holtrop zelf een product van de 68-beweging, organiseerde een borreltje. „Vreemd genoeg vroegen ze of ik wel voor ze zou blijven tekenen nu ik deze prijs heb. Natuurlijk, waarom niet? Ik ga heus niet weg. Ik kan alleen tekenen voor bladen waarvoor ik me niet hoef te schamen. Bij Libération voel ik me prima thuis. Het is een mooie krant, en ze geven cultuur een belangrijke plaats.”

Een contract heeft hij niet, nooit gehad ook. „Zij kunnen stoppen als ze me niet meer leuk vinden en ik kan stoppen als ik geen zin meer heb. Prima afspraak zo. Ik stuur ze dagelijks twee tekeningen en ze zoeken het maar uit verder.” De een is meestal binnenland, de ander buitenland. „Als eentje over Sarkozy ging, dan was de keus voor hen natuurlijk makkelijk. Jahaaa, onder Sarkozy was het prachtig. Die man vroeg er gewoon om. Hollande is eigenlijk een beetje saai. Maar ik heb alle hoop nog niet laten varen. Met Mali gaat hij natuurlijk mooi de mist in, dat belooft wat.”

Perskaart

Voor alles is hij journalist. Hij spelt de kranten, draagt zijn perskaart altijd op zak. Tot ongeveer tien jaar terug stuurde Libération hem geregeld naar het buitenland op reportage, onder andere om de Amerikaanse presidentsverkiezingen te tekenen. „Dan stond je tussen die ellebogen van fotografen met je schetsboekje. Schitterend vonden ze dat”, zegt hij. Tegenwoordig beperkt hij zich tot de getekende verslaglegging van het jaarlijkse theaterfestival van Avignon. Een archief met krantenfoto’s van potentiële slachtoffers houdt hij nog altijd bij. „Het is verdomd interessant om bij politici bij te houden waar ze rimpels krijgen, wist je dat?”

Heeft hij eigenlijk ooit spijt van een tekening? Als die te grof of te gewelddadig was, als hij weer eens een politicus met de Holocaust of enige andere oorlog in verband bracht? „Nee nooit”, zegt hij zonder een seconde aarzeling. „Politici zijn in Frankrijk natuurlijk allemaal schurken. Dat maakt het werk hier zo dankbaar. Ik heb alleen spijt van dingen die ik niet getekend heb. Ik wil de zaken vastleggen. Als je tekent, dan bezit je iets, dan heb je het in je hoofd.” Even is het stil. Hij neemt een slok. „Ik had wel gehoopt dat ik met de leeftijd iets serener was geworden. Dat is niet gelukt.”