Objecten die samen gaan sprankelen

Bonno van Doorn: Obviously. T/m 13 april. 1646, Boekhorststraat 125, Den Haag. Di-za 13-17u. Inl: www.1646.nl****

Bonno van Doorn (Amsterdam, 1977) is naar eigen zeggen een stadsjutter. Hij kwam met een auto vol spullen uit zijn woonplaats Amsterdam-Noord naar Den Haag: bij elkaar gesnaaide voorwerpen van de straat, uit de schuur en opslag van bevriende kunstenaars, naast zelfgemaakte objecten en schilderijen. Dagenlang heeft van Doorn de expositieruimte van kunstenaarsinitiatief 1646 ingericht, de glazen daklichtramen beschilderd, de muren bewerkt, zijn spullen uitgestald en herschikt.

Van Doorn maakte in 1646 een lichte en donkere ruimte. De voorruimte verbouwde hij tot grot. Langzaam passen je ogen zich aan en doemen blauw en groen verlichte voorwerpen uit het duister op: een stalagmiet van purschuim, een hoopje spelden op een magneet, een verstelbare pijp die een steen tegen het plafond drukt, in de hoek een zwart stenen hondje en in de lucht een vorm die lijkt op een uitvergrote Pacman.

Welbeschouwd is het een vertrek vol rotzooi. Maar wel intrigerende rotzooi, geordend, op een gehaaide manier belicht. Het vloerkleed blijkt afkomstig uit het Stedelijk Bureau Amsterdam (een dependance van het Stedelijk Museum) en verderop ligt een stuk tapijt uit kunstenaarsruimte W139. Spullen die zijn overgebleven en worden weggegooid, recyclet van Doorn. Soms koopt hij iets wat hij mooi vindt, zoals een stuk glanzend folie, metallic, dat nu over een metershoog stalen statief hangt. Al die vreemde spullen bij elkaar stralen iets fundamenteels uit, alsof het ‘scheppen’ eigenlijk gaat om het tonen van toevallige objecten die in een andere context gaan sprankelen. Van Doorn bouwt een omgeving van elementen die zo uit ons eigen leven zouden kunnen komen, die daar ook aan refereren. Tegelijkertijd speelt hij een spel met ons onderbewuste: we weten meestal wel waar hij zijn spullen vandaan haalt, maar niet waarom ze daar staan. Dit zorgt voor een keten van perspectieven die nooit vervelen.

De lichte achterruimte is uitbundig van kleur: wit, blauw, signaalrood. Een gele oordopjespilaar van purschuim herinnert aan De oneindige zuil van Brancusi. Zijn schilderijen zijn vol springerige contouren, erboven hangt een uitgerekt bot aan een draadje. Iets verderop draait op een sokkel vliegend pizzadeeg, piepschuimen blokken tonen hun rafelranden en aan het plafond wiebelt een groen afdeknet van een aanhangwagen. Obviously, vanzelfsprekend, dat is de wereld van Van Doorn.