Niet boos maar verdrietig, en dus heel eng

De film heet Mama. Het is een griezelfilm. In de zaal wordt lekker gegild als er ineens iets duisters toe- en soms doodslaat. Ik joel mee en geniet van een spook. Het is een vrouwtje, ze ziet eruit als een dorre wandelende tak. Ze heeft twee in de steek gelaten kinderen geadopteerd en komt telkens tevoorschijn uit, als je er oog voor hebt toch echt op vagina’s lijkende, barsten in de muren. Het spook is trouwens niet boos maar verdrietig – dan zijn alle moeders eng, en deze on-dode mama dus helemaal.

Griezelfilms zijn niet zelden zo effectief omdat ze raken aan diepe waarheden. Zo was The Exorcist, griezelfilm der griezelfilms, een metafoor voor de schrik van ouders voor de puberteit van hun kind – je hebt een schattig dochtertje en ineens is ze een duivelin. Rosemary’s Baby, die andere griezelklassieker, verbeeldde de angst van de man voor zijn hoogzwangere vrouw: wat komt er straks uit die dikke buik?

Maar één personage in Mama is dubbel bang. We zien een jonge vrouw, Jessica Chastain (van de nieuwe lichting Hollywood-engelen) een predictortest doen. Uitgelaten roept ze naar haar minnaar: „Raad eens wie er NIET zwanger is?”

Zij dus. Ze is als de dood voor het moederschap, en uitgerekend zij krijgt de zorg voor die twee vieze kiddies in de schoot geworpen – letterlijk. Daar zit ze met haar jongevrouwendecolleté, het suggereert ineens meer zog dan seks.

Al het gegriezel in deze film verwoordt de angst van de vrouw die voor de keus staat moeder te worden. Wat doet het moederschap met je? Besta je zelf nog, of word je een schim van wie je was? En wat nou als je een kind baart dat zich onbegrijpelijk gedraagt? Wat als het een geheim heeft, wat als het zomaar doodgaat? Die Mama uit de titel is niet het spook, het is deze jonge vrouw die haar angsten bevecht.

In het theater zie ik wéér een vrouw die leeft met een spook: de verloofde die als oorlogsheld is gesneuveld en die ze blijft beminnen. Ze is de spil van Strange Interlude, het toneelstuk van Eugene O’Neill. Johan Doesburg regisseerde de vrouw alsof hij haar hypnotiseerde en Ariane Schluter speelt haar meesterlijk. Drie mannen willen haar bezitten, maar tegen de dode verloofde kunnen ze niet op. „Ze haalt schijn en werkelijkheid door elkaar – ja, hoe moet je anders overleven”, spreken ze elkaar moed in.

Om haar van het spook af te brengen, besluiten ze dat ze moeder moet worden. De vrouw krijgt een zoon. Ze vernoemt hem naar haar dode verloofde, en daarmee is haar spook onomkeerbaar reëler voor haar dan de drie mannen bij elkaar. „Ik haat ze alle drie. Godzijdank ben ik moeder”, zegt ze. Ineens gaat het stuk niet meer over de macht van mannen over een vrouw en omgekeerd, maar over de kracht van het moederschap. Het stuk loopt uit op de tragiek daarvan. Want een kind heb je niet, dat leen je. Als puber keert het zich tegen je, als volwassene ontdekt het de liefde. Dan verliest een vrouw haar kind, maar haar moederliefde blijft in haar spoken. Dat vertelt ons Strange Interlude.

In Londen ga ik naar Tate Modern, voor de tentoonstelling van Roy Lichtenstein. Ik geniet van de schilderijen, meestal zwaar uitvergrote momenten uit stripverhalen. Ingenieus maar dat wuift hij weg. Zelfs spiegels worden personages, hij beeldde ze af terwijl ze elkaar weerspiegelen, zodat we dus iets zien wat niemand kán zien – spoken.

Lichtenstein schilderde veel vrouwen, hun grote gezichten verdrietig, ze verspeelden de liefde en zijn zich ineens bewust als vrouw tekort te schieten. Wacht, schilderde hij zo ook niet een moeder? ‘Oh my God! I left the baby on the bus!’ – alleen de tekstballon staat me nog bij. Maar het schilderij zie ik hier niet.

Ik zoek het op. Ik vergiste me. Het is een grap, een leuke namaak-Lichtenstein. Maar deze vrouw, een echo van Marilyn Monroe, staat verbaasd. Ze verdwijnt niet, op zijn Lichtensteins wellustig, in haar verdriet. Hier zien we geen moeder, ze is niet eens een fantoom.