Kippy de anti-kunstenaar

De vroeg gestorven schilder Martin Kippenberger stelde zich op als de hofnar van de kunst. In Berlijn wordt hij nu geëerd met een groots retrospectief.

Martin Kippenberger, ‘Ohne Titel (Medusa-Serie)’, 1996. Olie op doek, 180 x 150 cm.

Martin Kippenberger zag het licht in 1985. De Duitse kunstenaar zat weer eens een uitnodigingskaart voor een expositie in elkaar te knutselen (hij knipte, plakte en collageerde er tientallen) en op zoek naar inspiratie bladerde hij door een boek van de Amerikaanse fotograaf David Douglas Duncan. Deze Duncan was een huisvriend van Picasso geweest; in die hoedanigheid had hij de meester kunnen vastleggen op de meest intieme momenten. Dat leverde zeker één klassieke foto op. Daarop zien we Picasso staan op het bordes van zijn Château de Vauvenargues. Over zijn linkerarm ligt een badjas, de rechter tikt even de nek aan van een trotse, langharige Afghaanse windhond – beide kijken geconcentreerd het beeld uit. De schildersvorst is naakt, op een enorme onderbroek na. Daardoor komt niet alleen zijn forse geslacht goed tot uitdrukking, ook de hoge borst en Julius Caesar-kop van de meester worden flink benadrukt. Een gladiator, stond daar. Een keizer. De God der kunsten. In een te grote witte onderbroek.

Dit ben ik, dacht Kippenberger.

Daarmee komen we meteen bij de opvallendste conclusie die je kunt trekken naar aanleiding van Sehr Gut/ Very Good, het grote Martin Kippenberger-overzicht dat nu in het Berlijnse Hamburger Bahnhof te zien is: het is hem gelukt. Oké, Martin Kippenberger kon zichzelf tijdens zijn leven geen kasteel veroorloven (hij stierf in 1997 op zijn 44ste aan een alcoholverslaving, bekend maar bepaald niet rijk). Maar waar het roem, respect en mythevorming betreft begint hij Picasso in Duitsland de laatste jaren aardig te naderen. Naar aanleiding van de expositie (en Kippenbergers zestigste geboortedag, op 25 februari) stonden de kranten en tijdschriften vol met verhalen over zijn flamboyante levenswandel, over zijn onconventionele geest, over zijn alcoholverslaving – de Duitsers leken er geen genoeg van te kunnen krijgen.

Daarmee lijkt Kippenberger definitief tot een bijzondere categorie van kunstenaars te zijn toegetreden – Picasso, Beuys, Koons, Kippenberger. Deze groep weet toeschouwers vooral te fascineren omdat ze de uiterste consequentie van het romantische artistieke gedachtengoed lijken te vertegenwoordigen: sinds kunstenaars vanaf het begin van de negentiende eeuw in de eerste plaats worden geacht hun eigen, unieke wereld te scheppen, vloeit daaruit bijna automatisch voort dat ze zelf de ultieme verbeelding van die wereld zijn. Dus zijn, in deze post-romantische tijden, de grootste artistieke sterren altijd ‘persoonlijkheden’: Warhol, Beuys, Koons, Hirst en ‘Der Kippy’ zijn zelf zeker zo bekend als hun werk.

Portret met bretels

Dat Kippenberger die status heeft bereikt wordt in het Hamburger Bahnhof nadrukkelijk uitgevent: maar zelden maak je mee dat een (dode) kunstenaar zo nadrukkelijk aanwezig is op zijn eigen expositie. Dat begint al in de eerste zaal: in alle vijf de werken die daar worden getoond duikt Kippenberger zelf op de een of andere manier op. In het levensgrote beeld Martin, ab in die Ecke und schäm dich (typische Kippenberger-titel) is een levensgrote wassen kopie van de kunstenaar (met bretels) in de hoek gezet, gezicht naar de muur, zodat je zijn gelaatstrekken net niet kunt onderscheiden.

Op een schilderij even verderop torst hij om zijn nek een bord met de tekst ‘Bitte nicht nach Hause schicken’, er hangen posters (waarvan een met een – fake? – handtekening van Joseph Beuys) waarop Kippenberger zelf steeds prominent opduikt. In het vervolg van de expositie gaan de samenstellers nog een stap verder: op strategische plaatsen hangen levensgrote foto’s (Kippenberger met zijn dochter in New York, werkend achter een bureau, in een rolstoel) waarvan je aanvankelijk denkt dat het werken zijn. Nauwkeuriger bestudering leert echter dat het ‘gewoon’ documentaire foto’s zijn.

Alleen het simpele feit echter dat Kippenberger erop staat, dat zijn status als markante persoonlijkheid erop wordt uitgevent, maakt dat ze bijna ‘echte Kippenbergers’ worden – ik moest denken aan middeleeuwse heiligenafbeeldingen, waarbij het feit dat een heilige wordt afgebeeld, de afbeelding zelf ook heilig maakte. Of in dit geval: kunst. Dat lijkt Der Kippy tegenwoordig in ieder geval met Picasso gemeen te hebben: alles waar hij opstaat of wat hij heeft aangeraakt krijgt het aura van ‘de afwezige heilige’.

Tegelijk lijkt dat ook het grote Kippenberger-probleem: in teksten en beschouwingen over hem is de balans tussen persoonlijkheid en werk volkomen zoek. In alle artikelen en documentaires wordt Kippenbergers leven gretig gememoreerd (hoe hij mensen bruuskeerde, hoe hij zijn belangrijkste serie schilderijen weggaf in ruil voor een permanent verblijf in een hotel, hoe hij een schilderij van Richter als koffietafel gebruikte) – over zijn ‘echte’ werk gaat het zelden. En dat is misschien wel de grootste verdienste van de tentoonstelling in het Hamburger Bahnhof: dat je heel goed gaat begrijpen hoe dat komt.

Anders dan Picasso (of Beuys of Warhol) is Kippenberger namelijk nauwelijks op stilistische consequentie te betrappen. Zijn werk schiet alle kanten op: van schilderijen (soms zelf uitgevoerd, soms door anonieme reclameschilders), beelden, installaties, een zelfportret als wassen beeld in een bejaardenkar, krabbelige tekeningetjes op hotelbriefpapier – noem maar op. Er lijkt geen touw aan vast te knopen, tot je beseft dat juist achter die veelvormigheid het cruciale dilemma verscholen ligt. Kippenberger was namelijk in veel (alle) opzichten een typisch product van de jaren zeventig, die in Duitsland werd getekend door zowel de terreur van de Baader Meinhof-beweging als de opkomst van de punk. Daarmee had Kippenberger, met zijn enorme ambitie, een probleem: hij wilde een artistieke god worden in de tijd dat alle goden van hun sokkels werden getrokken.

In die paradox zit de uiteindelijke crux van zijn oeuvre: je kunt zijn beelden, tekeningen, schilderijen nog het beste beschouwen als een grote poging een belangrijk kunstenaar te worden, maar dan wel door anti-kunst te maken, door de kunst te ondergraven, door een oeuvre op te bouwen dat zich laat bekijken als een grote paradox – in die zin is ‘Der Kippy’ duidelijk veel meer een nazaat van Duchamp dan van Warhol of van Beuys.

Daarom past humor Kippenberger ook zo goed – in al z’n pesterigheid en tegendraadsheid is hij zonder twijfel een van de geestigste kunstenaars van de laatste decennia. Soms is die humor bijna kinderlijk provocerend (zoals de beruchte stripachtige kikker die aan het kruis is genageld en zijn tong uitsteekt), soms bijna melancholiek, zoals in de serie namaak-metrohaltes (inclusief majestueuze trap naar beneden, richtingborden en luchtroosters) die hij op allerlei (verlaten) plaatsen in de wereld liet installeren.

Persoonlijke favoriet is een schilderij waarop een rommelige stapel strepen en balken is te zien, als een in elkaar gedonderde blokhut of toren, bijna helemaal opgebouwd in zwart, rood en geel en onmiskenbaar vol kubistische referenties, dat vervolgens Ich kann beim besten Willen kein Hakenkreuz entdecken blijkt te heten. Zoiets is grappig, provocerend, maar één laag verder gaat het ook over het onvermogen van de schilderkunst de werkelijkheid te vangen, over ideologie (fascisme, kubisme) en over de macht van de kijker (en natuurlijk die van de kunstenaar).

Want dat was de grootste kracht van Kippenberger: in al zijn egomanie, zijn romantische streven naar artistieke vrijheid weet hij wel allerlei lagen van de werkelijkheid te raken waar het maken van en kijken naar kunst ineens ernst wordt. Kippenberger poseert nadrukkelijk als de hofnar van de kunst, die door zijn anti-ideologie (en vele verwijzingen naar fascisme en communisme) vragen kan stellen over de manier waarop ideologie en geloof belangrijk zijn om ons in deze chaotische wereld staande te houden. Moeten we ergens in geloven? Kan dat nog wel? Wat het allemaal nog confronterender maakt is dat je als toeschouwer overduidelijk ziet dat Kippenbergers eigen geloof ‘kunst’ heet, maar dat hij zichzelf desondanks maar met moeite staande weet te houden.

Onderbroekenzaal

Om die reden is het ‘onderbroekenzaaltje’ het beste van de tentoonstelling. Nadat Kippenberger in 1985 de David Douglas Duncan-foto van Picasso heeft gezien, houdt hij zijn verdere carrière een obsessie voor zowel de meester als diens onderbroek. Niet alleen schildert hij een serie van tien portretten van Picasso’s echtgenote Jacqueline (met indianentooi, opnieuw naar aanleiding van Duncan-foto’s) ook beeldt hij zichzelf regelmatig af op ‘de Picasso-manier’. Deze werken hangen in Berlijn bij elkaar: een zelf uitgebrachte kalender vol onderbroekfoto’s, collages van zelfportretten in onderbroek, de kunstenaar (onmiskenbaar schlemielig) in onderbroek geflankeerd door twee wulpse modellen.

In dat zaaltje hangt ook het beste werk van de tentoonstelling. Op dit schilderij (Ohne titel, 1988) zien we Kippenberger, met baard en natuurlijk in onderbroek. Hij is opvallend dik, zijn lichaam wordt door twee gele ballonnen met moeite een stukje de lucht in getild. Machteloos hangt de kunstenaar voorover, in zijn handen, komend uit een van de ballonnen, houdt hij een touw vast dat net een strop lijkt – het geheel is opvallend ingetogen en melancholiek.

Tegelijk is het de perfecte samenvatting van Kippenberger en zijn oeuvre: onmacht, lichtheid, humor en dood – een roerender, eerlijker, onmachtiger zelfportret zag ik zelden. Dat is het intrigerende aan deze expositie: voortdurend besef je dat Kippenberger met zijn constitutie, in zijn tijd, wist dat hij zijn doel alleen maar kon bereiken door zich te keren tegen de kunst, door zichzelf buiten alle proporties op te blazen, door zelfs regelmatig rotzooi te maken. Hij kon, kortom, alleen koning worden door nadrukkelijk de narrentooi te dragen – zijn hele leven lang. We weten nu dat hem dat gebracht heeft waar hij wilde, maar zonder die tragiek had zijn oeuvre nooit zoveel impact gehad.

Martin Kippenberger: ‘Sehr Gut/Very good’. T/m 18 aug in het Hamburger Bahnhof, Invalidenstrasse 50/51, Berlijn. Di t/m zo 10-18u, do. tot 20u. Inl: www.hamburgerbahnhof.de Het Stedelijk Museum Amsterdam organiseert vanavond om 20u een avond over Kippenberger. NRC-journalist Tracy Metz interviewt Susanne Kippenberger, zus van de kunstenaar.