Jodenhaters zitten nu in het parlement

Onder invloed van de openlijk xenofobe partij Jobbik steekt nu ook binnen de Hongaarse regeringspartij Fidesz antisemitisme de kop op.

Betoging in Budapest tegen het plan van een volksvertegenwoordiger om een lijst met Joodse parlementariërs op te stellen. Foto AFP

Netta moet worden overgehaald om even voor het hek te poseren. We hebben anderhalf uur gereden en een half uur door het Hongaarse dorp Kiskunmajsa gelopen om het huis te vinden waar haar oma is geboren, die hier vandaan op haar veertiende naar Birkenau werd deporteerd. Ze overleed vijf jaar geleden in Israël.

Nu ze voor het grauwe gebouwtje aan de Arpád-straat staat, is de eerste neiging: meteen weer omdraaien. De straat is stil en stoffig. Naast het ommuurde huis van één verdieping wappert de was. Verder beweegt niets. Nergens valt uit af te leiden dat hier zeventig jaar geleden een kruidenierswinkel was, laat staan een levendige orthodox-joodse gemeenschap.

Voor de Tweede Wereldoorlog had Hongarije een van de grootste Joodse gemeenschappen in Europa. Tegenwoordig zijn er nog zo’n 100.000 Joden, eenvijfde van het aantal voor de oorlog. Ze wonen vrijwel allemaal in Boedapest. Het is een kleine en goed geïntegreerde gemeenschap, die weinig opvalt.

Toch lijkt het in de Hongaarse politiek en media af en toe alsof een Joodse invasie op handen is. Sinds de ultranationalisten van de partij Jobbik in 2010 bijna 17 procent van de stemmen kregen, is alle politieke correctheid verdwenen.

Jobbik is met name gegroeid door anti-zigeuner-retoriek. Antisemitisme gebruikt de partij als onderdeel van verdachtmakingen over buitenlands kapitaal en samenzweringen. Een Jobbik-parlementslid stelde in november voor een lijst bij te houden met Joden die in het land waren: ‘voor de nationale veiligheid’.

Politici van de conservatieve regeringspartij Fidesz zijn niet openlijk antisemitisch, maar ze bieden weinig of geen weerwerk tegen antisemitisme van Jobbik-politici. Voor een deel proberen Fidesz en Jobbik namelijk dezelfde nationalistische kiezers aan te spreken.

Het jongste schandaal gaat over studenten. De officiële studentenvertegenwoordigers aan de ELTE- universiteit blijken jaren een database van eerstejaars te hebben bijgehouden. Achter naam en telefoonnummer staan onder meer de vermoede politieke voorkeur ingevuld en ja of nee bij ‘Jood’. In de laatste kolom is ruimte voor teksten als ‘waarschijnlijk zigeuner’, ‘lekker wijf’ , ‘liberale homo’ of ‘Joodse rotkop’.

Dat soort voorbeelden zorgen wel voor voortdurende vertwijfelde discussie binnen de Joodse gemeenschap, vertelt Réka, een nicht van Netta die ’s avonds mee gaat eten in een koosjer restaurant.

Antisemitisme was er in Hongarije altijd al, zeker sinds de Eerste Wereldoorlog, waar Hongarije als verliezer uit kwam. Tijdens het communisme werd het onderdrukt, maar sinds de democratische omwenteling komt het weer meer aan de oppervlakte.

Nu zitten de antisemieten gewoon in het parlement, zegt Réka. Sommige van haar kennissen twijfelen of ze hun kinderen wel naar een Joodse school zullen sturen, om te voorkomen dat ze worden gestigmatiseerd. Een kleine groep overweegt te emigreren.

Een paar dagen later zit ik aan tafel bij Daniel en Eszter, een architect en kunsthistorica met twee jonge kinderen. Eszter heeft aan de ELTE-universiteit gestudeerd. Misschien staat ze zelf ook op ‘de lijst’. Geschokt klinkt ze niet echt. „Ik had niet anders verwacht”, legt ze uit. Iedereen weet dat daar extreme nationalisten zitten, vooral bij de vakgroep Geschiedenis. De partij Jobbik is daar ontstaan. Het raakt wat haar betreft aan de kern, de Hongaarse omgang met geschiedenis. „Over de Holocaust en het communisme worden nog steeds niet vrijelijk gedebatteerd. Het is nog niet verwerkt.”

Hongarije was een bondgenoot van de nazi’s en werd niet bezet. Als gevolg daarvan werden Joden aanvankelijk wel onderdrukt, maar niet gedeporteerd. In 1944 begonnen onder zware Duitse druk de transporten naar vernietigingskampen.

De twee dertigers praten over Jood zijn als iets wat je voor de zekerheid liever niet aan de grote klok hangt. Toen haar dochtertje in de tram in Boedapest hardop vertelde hoe leuk ze het in de synagoge in Praag had gevonden, betrapte Eszter zich erop dat ze het kind tot stilte wilde manen. ‘Jood’ is een vaak gebruikt scheldwoord, ook tegen niet-Joden.

In de aanloop naar de nationale feestdag, morgen, voert de Hongaars-Joodse gemeenschap een postercampagne. In bushokjes in Boedapest hangt een grote foto van een blond jongetje met een keppeltje en een kokarde in de nationale driekleur. Het verwijst naar een tekst over het aandeel van Joden in de Hongaarse onafhankelijkheidsstrijd in 1848, die morgen wordt herdacht. De boodschap is: dit is ook ons land.

In het dorpje Kiskunmajsa is het Joodse Hongarije onzichtbaar geworden. Een Joodse begraafplaats is met een hoge muur aan het zicht onttrokken. Geen bordje, geen doorkijkje. Wat steentjes op een richel, het enige teken dat hier nog iemand komt. De sleutel van de stevig vergrendelde poort kan op werkdagen in het gemeentehuis worden gehaald.

Een bejaarde buurvrouw schuifelt haar poort uit en werpt nieuwsgierige blikken onze kant op.

Netta wordt onrustig. Misschien zien ze ons aan voor kleinkinderen die huizen van in 1944 weggevoerde Joden komen opeisen.

Tijd om te gaan.