Installaties bouwen met mest, bumpers en tonnen

Het werk van Sheela Gowda toont altijd twee lagen. Eén in de taal van de kunst. Een ander in die van de politiek, met verwijzingen naar India.

Drie op elkaar gestapelde roestige metalen kubussen ogen als een typisch hedendaagse sculptuur zoals die in galeries en musea over de hele wereld te zien zijn. Het is een sculptuur in een idioom dat is afgeleid van postminimal art, de poging om voorbij de esthetiek van het minimalisme te komen. Maar op deze overzichtstentoonstelling van de Indiase kunstenaar Sheela Gowda zit er een verhaal achter dat ook in een andere richting wijst dan de recente westerse kunstgeschiedenis.

De kubussen zijn in feite een soort ready mades. Indiase bouwvakkers maken ze van teertonnen en gebruiken ze als tijdelijk onderkomen. De mannen walsen de drums plat met de asfaltmachine waar ze mee werken. De maat van de teerdrums bepaalt zodoende de dimensies van de hut. Je kunt er alleen opgerold in liggen.

Gowda (Bhadravati, 1957) zet de hutten en de platgewalste platen in als materiaal voor installaties en sculpturen. De bovenkant van de bovenste van de drie gestapelde kubussen doorboorde Gowda met kleine gaatjes, zodat van binnenuit allemaal lichtpuntjes zijn te zien, als een sterrenhemel. Zo ontstaat er in de benauwde ruimte, vertelt ze, toch een gevoel van een eindeloze ruimte.

Gowda volgde een kunstopleiding in Bangalore en kreeg later een beurs voor de Royal College of Art in Londen. Daar studeerde ze van 1984 tot 1986. Gowda is inmiddels een veelgevraagde kunstenaar op internationale tentoonstellingen en biënnales. Het Van Abbemuseum toont werk van haar uit de afgelopen 20 jaar.

Wat betreft stijl of medium zijn de werken zeer uiteenlopend. De constante in dit oeuvre is dat Gowda steeds symbolisch beladen materialen combineert met een westers kunstidioom. Behold (2009) is een ruimtevullende installatie van autobumpers en dikke, vettige trossen donkerbruin mensenhaar. Het haar is afkomstig van pelgrims die zich ritueel hebben laten scheren. In een andere zaal ligt een rij ‘bakstenen’ op de grond, getiteld Mortar Line (1996). Dit werk doet denken aan de Amerikaanse minimal-kunstenaar Carl Andre, met dit verschil dat het materiaal koeienmest is. Gowda gebruikte de mest van de in India heilige koe aanvankelijk als pigment voor schilderijen. Nu past ze het toe in installaties en ruimtelijke objecten. Net als met de teerdrums verwijst Gowda hiermee naar het dagelijks leven in India, waar de mest ondermeer dient als brandstof en om huizen te repareren. Andere materialen: stukken textiel, pvc-buizen voor sanitair gebruik, verveloze raam- en deurkozijnen en votiefpoppetjes.

Gowda heeft het moderne kunstidioom goed in de vingers. Het werk Kagebangara (2007) is bijvoorbeeld een bijna klassiek aandoende kunstinstallatie, met stukken blauw zeildoek en gewalste teervaten. Er liggen dunne schijven mica tussen en ook het zeildoek is geteerd met mica, wat een mooi glanzend effect heeft. Zo zijn er steeds twee lagen in dit oeuvre: een sociale, politieke laag die verwijst naar het leven in India én de taal van de moderne kunst. De verwijzingen naar allerlei westerse kunststromingen maken wel dat Gowda’s werk weliswaar kundig maar ook nogal onpersoonlijk is. Beuys, Andre, Sigmar Polke, in elke zaal schiet wel weer een andere westerse kunstenaar in gedachten.

Interessant is dat niet-westerse kunstenaars op dit moment een grotere vrijheid van handelen hebben dan westerse. Van niet-westerse kunstenaars wordt het eclecticisme en het opnieuw verwerken van een bestaand idioom, als iets positiefs gezien. Van westerse kunstenaars wordt zo’n eclecticisme niet meer zo gemakkelijk geaccepteerd.

Sheela Gowda: Open Eye Policy. Van Abbemuseum, Eindhoven. T/m 26/5. Inl: vanabbemuseum.nl***