Achtergrond Wat zegt de keuze voor de naam Franciscus?

Verslaggever

Dat Jorge Mario Bergoglio als paus de naam Franciscus kiest, is niet alleen bijzonder omdat geen van zijn voorgangers deze toch niet zo heel exotische naam heeft gedragen. De laatste paus die een ‘nieuwe’ naam koos, was Johannes Paulus I in 1978. Maar die samenvoeging van twee beproefde pausnamen – de naam Johannes was al XXIII keer en de naam Paulus VI keer gebruikt – was toch minder opmerkelijk dan deze nieuwe vondst.

Geen enkele paus zelfs heeft tot nog toe een naam aangenomen die niet eerder in de lijst met pausnamen voorkwam. Zelfs de Romeinse patriciër die vond dat zijn waardigheid als bisschop van Rome zich niet verdroeg met zijn eigen, heidense naam Mercurius, nam in de eerste helft van de zesde eeuw de naam van een geëerde voorganger aan en noemde zichzelf Johannes II.

Vanaf de tiende eeuw werd het aannemen van een andere dan de doopnaam normaal bij het bestijgen van de pauselijke troon. Sinds 996 hebben nog maar twee pausen hun eigen naam behouden, in de gelatiniseerde vorm: de Nederlander Adriaan Florisz Boeyens werd in het jaar 1522 Hadrian VI, Marcello Cervini werd in 1555 Marcellus II.

In de loop der eeuwen kreeg de aangenomen pausnaam steeds sterkere symbolische betekenis. Hij werd gezien als het motto van het pontificaat. De latere vijftien Gregoriussen wilden even veel reorganiseren als hun voorganger, de Grote, die rond het jaar 600 regeerde.

Vooral in dat licht is de naam Franciscus een opmerkelijke keuze. Hij lijkt te verwijzen naar Franciscus van Assisi (1181 of ’82-1226) en dat is om het voorzichtig uit te drukken een atypische heilige binnen de kerk, zegt mediëvist, kenner van de Middeleeuwen, Peter Raedts van de Radboud Universiteit Nijmegen. „Franciscus was tegelijkertijd kritisch over en trouw aan de kerk. Volgens hem moesten ware christenen in armoede leven.”

Franciscus, zoon van een welgestelde lakenkoopman uit Assisi, trok zich na een visioen als kluizenaar terug uit de wereldse maatschappij, wierp zijn kleren en eigendommen af, bedelde zijn eten bij elkaar en predikte, volgens de legende, voor de vogels. Al snel had hij een groeiende schare volgelingen die de orde van de Franciscaner bedelmonniken vormden.

De puissant rijke kerk van Rome bekeek zulke bewegingen altijd met grote argwaan en de volgelingen verkeerden vanuit dat standpunt altijd op de rand van de ketterij. „Franciscus is daar nooit overheen gegaan”, zegt Raedts. „En dat is ook te danken aan de slimheid van paus Innocentius III, die hem er altijd binnen heeft gehouden.” Veel van Franciscus’ volgelingen zijn wel als ketter vervolgd in de loop van de Middeleeuwen – in de roman De naam van de roos wijdt Umberto Eco fascinerende passages aan de echt radicale broeder in armoe.

Verder kenmerkend voor Franciscus van Assisi is zijn haast naïeve geloofsopvatting en daarom vindt Raedts het leuk en origineel dat de nieuwe paus juist zijn naam heeft gekozen. Hoewel hij, zegt Raedts, niet het idee heeft dat Bergoglio net zo radicaal is. „Sociaal is hij, geloof ik, zeer links, antikapitalistisch bijna. Maar als het om de persoonlijke moraal gaat, is hij volgens mij juist zeer traditioneel.” Maar hij geeft onmiddellijk toe dat van Franciscus van Assisi geen standpunt over homoseksualiteit of beschermde seks bekend is.