wordt weer nationaal altaar Nachtwacht

Op 13 april 2013 heropent het Rijksmuseum. Elke maand een reportage vanuit het museum in aanloop naar de opening. Afl. 5: eindeloos gesleep met de Nachtwacht, op zoek naar de perfecte plek

In 2003 verhuisde de Nachtwacht naar de Philipsvleugel i.v.m. de grote verbouwing van het museum. Foto Johannes Abeling

De Nachtwacht gaat toch weer iets omhoog. Negen centimeter, om precies te zijn. In de Philipsvleugel, waar Rembrandts meesterwerk tijdens de meeste jaren van de verbouwing was te zien, hing het werk lager. 51 centimeter van lijst tot vloer. Museumdirecteur Wim Pijbes was daar blij mee: de schutters op ooghoogte van het publiek. Het werk werd er „toegankelijker” door. Minder uit de hoogte.

Maar die lage stand werkt niet als je vanuit de monumentale voorhal de eregalerij binnenloopt, zegt conservator Pieter Roelofs. De bezoeker moet de schutters dan kunnen zien, op afstand. Desnoods over hoofden van andere bezoekers heen.

De architect Pierre Cuypers (1827-1921) had het zo ook bedoeld: een museum als kathedraal voor de Nederlandse schilderkunst met één hoofdaltaar: de Nachtwacht . De Franse schrijver Paul Verlaine (1844-1896) liet na oplevering van het museum, in 1885, zien dat de katholiek Cuypers was geslaagd in die opzet. De eregalerij noemde hij „het groot schip van een kathedraal” met de Nachtwacht ver achterin, als altaar „met iets discreets verlichts”.

Discreet verlicht, dat klonk mooi. Maar de bezoekers klaagden vanaf dag één dat het licht op de Nachtwacht veel beter was in het Trippenhuis, waar het Rijksmuseum tot Cuypers nieuwbouw was gehuisvest. Om tegemoet te komen aan de klachten werd een fluwelen velum voor het schilderij opgehangen, een soort tentzeil op stokken. Die zette de toeschouwer in het donker, het meesterwerk in het licht.

Het bleek geen permanente oplossing. Het interne gesjouw met de Nachtwacht begon toen pas, terwijl het verleden van het werk ook al zo roerig was geweest.

Rembrandt had de Nachtwacht geschilderd voor de vier meter hoge feestzaal in de Kloveniersdoelen. 74 jaar later werd het doek „letterlijk gekleineerd”, zoals de Rembrandtkenner Gary Schwartz het noemt: het schilderij ging naar het Paleis op de Dam, paste daar niet in de ruimte tussen twee deuren en werd bijgesneden aan alle kanten, ter linkerzijde het meest. Daarna ging het meesterwerk naar het Trippenhuis, ook aan de Kloveniersburgwal.

Een belangrijk moment in lichtdebat rondom de Nachtwacht volgde in 1898, toen het schilderij vanaf het Rijksmuseum tijdelijk werd uitgeleend aan het Stedelijk Museum voor een expositie ter gelegenheid van de inhuldiging van Wilhelmina tot koningin. Daar bleek de Nachtwacht opeens wel goed licht te krijgen.

Nu werd het een nationale kwestie: er kwamen Kamervragen en een speciale staatscommissie. Daarin zat iedereen die er in de kunstwereld toe deed, van kunstenaars Breitner en Israëls tot de geleerden Bredius, Six en architect Cuypers zelf. De commissie realiseerde „lichttesten” in een „proeflokaal” dat streng werd bewaakt, zo meldde Het Nieuws van de Dag op 30 oktober 1901. Uiteindelijk werd besloten door Cuypers een uitbouw van het Rijksmuseum te laten ontwerpen, speciaal voor de Nachtwacht.

Die uitbouw kwam er, in 1906, pal achter de oorspronkelijke ruimte. De opening werd een evenement. Koningin Wilhelmina en prins Hendrik waren erbij. Probleem was wel: het nationale altaarstuk stond nu in een achteraf zaaltje. En dus ging het in de jaren twintig in relatieve stilte toch weer terug naar z’n oude stek. Met één groot verschil: de Nachtwacht hing nu aan een zijwand. Mét zijlicht.

De Nachtwacht ging pas weer van de muur toen de Duitsers het land dreigden binnen te vallen. Het doek ging eerst naar het Medemblikse kasteel Radboud, daarna naar een Castricumse bunker en uiteindelijk, opgerold, naar mergelgrotten in de Sint-Pietersberg bij Maastricht. Na de bevrijding ging de rol per schip naar Amsterdam. Bij ontvangst reageerden de aanwezigen opgelucht toen bleek dat het nationale altaarstuk geen schade had opgelopen.

En toen viel toenmalig directeur Arthur van Schendel bovenop het schilderij.

Ook dat leverde geen blijvende schade op. De Nachtwacht kwam weer op dezelfde plek te hangen, aan de zijwand. De eregalerij was in die jaren afgesloten van Nachtwacht, waardoor het religieuze effect dat Verlaine had beschreven, niet meer bestond. Pas in de jaren tachtig ging het werk terug naar de oorspronkelijke plek. De Nachtwacht was weer direct zichtbaar voor iedereen die, net als Verlaine, via de voorhal naar de Nachtwacht was gelopen.

En het licht? Dat gesprek gaat voort, zonder staatscommissie, maar met een hoofdsponsor, elektronicaconcern Philips. Het bedrijf heeft de halogeenspots op het schilderij met enige bombarie vervangen door ledlampjes, volgens kenners een grote verbetering. Vooral in donkere delen zou nu meer nuance te zien zijn.

Misschien zelfs genoeg voor Rembrandtleerling en kunsttheoreticus Samuel van Hoogstraten. Die schreef, in de eerste overgeleverde kritiek op het schilderij, dat Rembrandt meer licht in zijn schilderij had mogen brengen. En dat was jaren voor het schutterstuk door verkleuring de titel de Nachtwacht had gekregen.