Waar is het werk op de arbeidsmarkt?

Eerst het goede nieuws. De langdurige werkloosheid, gedefinieerd als langer dan twaalf maanden zonder werk, vertoont in Nederland volgens cijfers van de economische denktank OESO een dalende tendens. Toegegeven: het zijn geen cijfers van gisteren, maar een vergelijking tussen het tweede kwartaal van 2012 met het vierde kwartaal van 2007. En de OESO meet langdurige werkloosheid als percentage van de totale werkloosheid. Die stijgt. Maar toch: de langdurige werkloosheid daalt een paar procentpunt naar ongeveer 35 procent, de daling is sneller dan in ‘banenmotor’ Duitsland en Nederland zakt naar het OESO-gemiddelde dat in de crisis juist is gestegen.

Het slechte nieuws is natuurlijk dat er volgens het Centraal Planbureau de komende twee jaar 105.000 werklozen bijkomen. Hun aantal loopt op naar 575.000 in 2014.

De politieke fixatie op het begrotingstekort op 3 procent van de jaarlijkse productie van goederen en diensten versluiert het tekort waar het eigenlijk om gaat. Het banentekort.

Hoogleraar Bas Jacobs (Erasmus Universiteit) heeft alle gelijk dat de begroting niet de economie is. Wat goed is voor de begroting is niet vanzelfsprekend goed voor de economie. De overheid is onze grootste werkgever: zowel primair (rijksoverheid), secundair (gemeenten, provincies) als tertiair (via overboekingen naar gezondheidszorg, scholen, universiteiten). Tekortreductie kost meteen banen. Wat stelt het kabinet daar tegenover?

Als de onmacht van de ‘sturende’ overheid ergens zichtbaar is, is het op de arbeidsmarkt. Die bestaat niet. Regionale verschillen en verschillen in gevraagde en aangeboden kennis en vaardigheden zorgen voor een breed scala aan deelmarkten. Zwakke deelnemers zijn in een crisis als eerste de klos: jongeren (geen ervaring) en allochtonen (onvoldoende kennis, discriminatie). Plus: hoe ouder werkloos, hoe minder kans op nieuw werk.

Het is twijfelachtig of het plan van het kabinet voor ‘hervorming’ van de arbeidsmarkt, zoals limitering van WW-aanspraken tot één jaar plus één jaar bijstand én limitering van ontslagvergoeding tot 75.000 euro, de werkloosheid vermindert. De stelling van drie hoogleraren vorige week op de opiniepagina van deze krant dat een flexibeler arbeidsmarkt de werkloosheid eerlijker verdeelt, is geen wenkend perspectief dat vertrouwen geeft. In de nieuwe editie van ESB, vakblad voor economisch beleid, zetten vier onderzoekers (Technische Universiteit Delft, TNO) ook vraagtekens bij de relatie tussen soepeler ontslagregels en economische groei en innovatie.

In deze fase van de crisis moeten praktische maatregelen voorop staan. Klagen over geringe mobiliteit van ouderen en hen ‘straffen’ met een kortere WW om hun gedrag te veranderen is niet bijster zinvol. Zoals het CPB onlangs in een beleidsadvies schreef: veel ouderen hebben de baan die bij hen past. Het CPB constateert ook dat werknemers én werkgevers minder in kennis en vaardigheden investeren naarmate de leeftijd vordert. Toch ligt bij individuele bedrijven en werkers de sleutel voor een soepeler arbeidsmarkt, niet bij Haagse grand designs.

Verder zullen werkgevers én werknemers moeten accepteren dat werknemers grosso modo tussen hun 35ste en 50ste op de top van hun kunnen zitten. Betaal in die fase meer, bijvoorbeeld met variabele beloningen, zodat zij later vanzelf terugzakken in beloning zonder zich uit de markt prijzen. Maar maak van die leeftijdsgrenzen geen wet van Meden en Perzen.

De redacteuren Maarten Schinkel en Menno Tamminga schrijven in deze wisselcolumn over economische ontwikkelingen.