'Hitchcock graaft diep in psyche'

Hoogleraar Patricia Pisters doceert filmwetenschap aan de hand van Hitchcock. „Uit alles blijkt zijn diepe filmliefde.”

Het werk van Alfred Hitchcock speelt in de filmwetenschap een grote rol. Hoogleraar film- en mediastudies Patricia Pisters schreef het handboek Lessen van Hitchcock waarmee generaties studenten aan de Universiteit van Amsterdam de beginselen van de filmtheorie zijn bijgebracht. Inmiddels is de vijfde druk in voorbereiding. Aan de hand van Hitchcock behandelt Pisters onder meer de auteurstheorie, die speurt naar de persoonlijke stempel van de regisseur in films, de narratologie die de diepe structuren van de film wil blootleggen, en de semiotiek die elementen van een film als een taal probeert te lezen.

Waarom is juist het werk van Hitchcock zo vruchtbaar voor al die verschillende academische benaderingen?

„Vanuit elk theoretisch perspectief dat je zou kunnen verzinnen, valt er wel iets over Hitchcock te zeggen. Dat laat zien dat zijn werk enorm rijk is. Hij heeft altijd geëxperimenteerd. In de zwijgende film was hij al met licht en schaduwen aan het experimenteren. In zijn eerste geluidsfilms zocht hij naar nieuwe expressiemiddelen, zoals de close-up in geluid. In de jaren vijftig heeft hij met 3D gewerkt. Rope heeft hij gemaakt alsof het hele verhaal in één take wordt verteld. Uit al die experimenten blijkt zijn diepe liefde voor het medium film. Maar hij heeft ook veel nagedacht over wat film met de toeschouwer doet. Hij speelde voortdurend een kat-en-muisspel met de verwachtingen van de kijker. Door die combinatie heeft hij al die films kunnen maken, die nu onderdeel zijn van ons cultureel erfgoed.”

Komt het door de sterke nadruk op de vorm dat Hitchcock zo belangrijk is voor de filmtheorie?

„Dat komt niet alleen de vorm, ook door Hitchcocks thema’s. Hij graaft diep in de drijfveren van de mens, zowel van de personages als van de toeschouwer, gekruid met zijn eigen obsessies: van de blonde vrouw tot de dominante moeder. Het hele spel met de suggestieve kracht van beelden, dat is echt bij Hitchcock begonnen.”

Hitchcock was geïnteresseerd in de pure cinema en de avant-garde, tegelijkertijd was hij een meester in het bespelen van publiek. Dat laatste associeer je juist meer met de commerciële cinema.

„Recent is er neurologisch onderzoek gedaan waarbij mensen die naar een film van Hitchcock kijken zijn vergeleken met mensen die naar een YouTube-achtig, doorsnee filmpje kijken. Dan blijkt dat ongeveer 60 procent van dezelfde hersengebieden bij de kijkers naar een Hitchcockfilm actief is, en dat er veel minder activiteit valt waar te nemen bij het kijken naar het andere filmpje.

„Daaruit blijkt dat Hitchcock echt heel goed was in het manipuleren van de kijker en het sturen van de blik. Hij was een meester-manipulator. Dat is ook vanuit commercieel oogpunt interessant. Maar zijn commerciële succes is hem vaak niet in dank afgenomen. Het heeft heel lang geduurd voordat hij serieus werd genomen.”

Staat Hitchcock inderdaad meer centraal bij filmstudies dan, zeg, Fellini of Bergman?

„Ik denk niet dat ik mijn boek had kunnen schrijven aan de hand van die regisseurs. Het interessante aan Hitchcock is dat hij die Hollywoodkant heeft, en tegelijk ook een Europees filmmaker is. Hij maakt toegankelijke films die toch heel gelaagd zijn. Bij zijn latere films, zoals Vertigo, zie je dat het thema van de tijd heel belangrijk voor hem is. Dat thema van de tijd speelt op het moment dat hij Vertigo maakt vooral in de Europese cinema een grote rol.”

Alles draait voor Hitchcock om film. Je zou ook een meer realistische traditie centraal kunnen stellen.

„Hitchcock laat in films altijd heel duidelijk zien dat zijn wereld geconstrueerd is. Zijn eigen performance voor de camera was al een soort pastiche op zichzelf. Dat zijn elementen die heel goed aansluiten bij de mediamaatschappij waarin we nu leven, die bol staat van de beelden die weer naar andere beelden verwijzen.”

Hoe kunnen al die theorieën die u in uw boek behandelt, van de psychoanalyse tot deconstructie, allemaal tegelijkertijd waar zijn?

„De theorie is een soort bril die je opzet, waarmee je bepaalde aspecten van een film heel scherp kunt zien. Elke theorie haalt iets anders naar boven in Hitchcock.”

Bij de psychoanalyse zou je nog kunnen denken dat Hitchcock die ideeën kende, en zelf in zijn films kan hebben gestopt.

„Ja, maar voor veel andere theorieën geldt dat natuurlijk niet. Toch blijken zijn films al die verschillende manieren van kijken te kunnen verdragen, waardoor zijn werk al die theorieën natuurlijk ook meteen weer ondermijnt.”