Column

Het volk eigenaar

Bij het overlijden van Hugo Chávez werd zijn fameuze optreden bij de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties in 2006 herhaald: „Het ruikt hier nog naar zwavel!”. Het waren de vurige woorden waarmee hij president Bush afschilderde als duivel. Toch zal Chávez niet als orator de geschiedenis ingaan, maar als de man van de radicale nationalisaties. Olie, cement, staal, elektriciteit, rijst – vanaf 2006 volgde de ene nationalisatie op de andere. Van vele bedrijven werden exploitatierechten, fabrieken, goederen en tegoeden in beslag genomen. Het gaat om een enorm kapitaal dat zo in handen kwam van de overheid: alleen al de zware oliereserves in de Orinocodelta in Venezuela zijn de rijkste ter wereld.

Voor de populistische Chávez waren deze nationalisaties gerechtvaardigd om sociale programma’s voor el pueblo dueño, het ‘volk eigenaar’ van de bodemschatten, te bekostigen. En met succes: de armoede in het land is bijna gehalveerd in de laatste tien jaar, onderwijs en gezondheidszorg zijn toegankelijk geworden voor grote delen van de bevolking. Die resultaten en zijn urenlange toespraken vormen de basis van zijn onverminderde populariteit. Maar de prijs is enorm. De olieraffinage raakte in het slop zodat Venezuela nu bijna al zijn brandstof moet importeren (die dan weer zwaar gesubsidieerd wordt). Het gebruik van de rijkdom voor consumptieve doelen is ten koste gegaan van economische groei. Het land heeft een van de hoogste inflatiepercentages ter wereld, volgens sommige bronnen tegen de 30%. Venezuela is een van de moeilijkste landen voor investeerders: het staat 174ste op de doing business ranking van de Wereldbank.

Het is een bekend patroon. Landen die rijk zijn aan grondstoffen raken in enorme problemen, tenzij ze beschikken over een evenwichtig en vooruitziend bestuur. Waar gas en olie, goud, koper of diamant uit de bodem worden gehaald, overheersen bijna altijd corruptie, willekeur, aantasting van het milieu en sociale ongelijkheid, in stand gehouden door autoritaire leiders die zichzelf en hun clan verrijken (Nigeria, Congo). Soms wordt de rijkdom gebruikt voor selectieve secularisatie en opleiding (Libië). Ja, soms gaat het goed. Het beste jongetje van de klas is natuurlijk Noorwegen dat zijn gas- en olie-inkomsten al sinds jaar en dag investeert in een fonds voor toekomstige generaties. Canada doet het ook verstandig, net als Australië. Democratie is echter geen garantie voor vooruitzien, getuige de wijze waarop Nederland in de loop der jaren een kwart van de totale aardgasbaten van 200 miljard aan sociale zekerheid heeft besteed, de zogenaamde Dutch disease. Wie veel heeft, kan zich permitteren onmatig te zijn – althans tijdelijk. Venezuela moet vroeg of laat, net als Nederland, leren om zijn rijkdom in te zetten voor structurele verbeteringen zoals onderzoek, hoger onderwijs en moderne infrastructuur.

Nationalisaties roepen nog een fundamentele vraag op, namelijk: van wie is de rijkdom in de bodem eigenlijk? Volgens internationale afspraken is dat de staat, die vervolgens het recht op exploitatie kan overdragen, tegen betaling en voor een bepaalde tijd, aan individuen of bedrijven. Mijnbouw- of oliebedrijven zijn dus geen eigenaars van de ondergrond, maar de staat, of liever, zoals na Chávez de Australische premier het vorig jaar verwoordde: het volk waarvoor de staat de rijkdom beheert.

Het lijkt logisch en transparant, maar dat is het niet. Er speelt namelijk altijd een factor van willekeur: de ene provincie heeft bijvoorbeeld olie, de andere niet. Solidariteit binnen de staat is een betrekkelijk begrip, zeker in jonge staten. Waarom zou de bevolking van mineraal- en olierijke delen van een land de rijkdom van hun ondergrond eerlijk moeten delen met anderen elders? Of erger nog, het grootste deel daarvan moeten afstaan? Deze vraag speelt ook de noordelijke provincies die vinden dat ze zwaar zijn onderbetaald uit de aardgasbaten die vooral de Randstad ten goede zijn gekomen. Omgekeerd zal de staat met alle macht separatistische neigingen willen onderdrukken. Afscheiding, dus het opbreken van de staat, is het onbedoelde risico van het toewijzen van rijkdom aan nationale regeringen. Biafra of Koerdistan zijn hiervan de tragische voorbeelden.

Je kunt de vraag naar nationaal eigendom nog anders stellen: hoe eerlijk is het dan sommige landen zoveel natuurlijke rijkdom hebben dat ze, net als Congo DRC, een geologisch schandaal genoemd kunnen worden, terwijl andere over niets of bijna niets beschikken? Oké, life is unfair: net zoals er verschillen en opvoeding in intelligentie bestaan, zijn er landen met een gunstige uitgangssituatie. Soms weerhoudt dat die laatste er niet van om er iets van te maken (Singapore). Maar toch, nu economische netwerken mondiaal steeds meer verknoopt raken, is exclusieve nationale eigendom van natuurlijke hulpbronnen aan herijking toe. Net zo als biodiversiteit internationaal wordt erkend als collectief erfgoed van de mensheid, zouden fossiele brandstoffen en mineralen dat kunnen zijn.

Een naïef idee, want geen land staat eigendommen af. Maar als mineraalrijke landen de eerste stap zetten met een fonds voor duurzame en eerlijke winning, dan krijgt Chávez een pietsje gelijk. Eigendom van het hele mensheid, la humanidad dueña.

Louise O. Fresco is universiteitshoogleraar aan de Universiteit van Amsterdam, bestuurder en schrijfster. Zie ook louiseofresco.com.