Maanden zat hij vast, toen gingen ze goed kijken

Voorlopige hechtenis

Opsluiten zonder veroordeling gebeurt vaak in Nederland. Meerdere rechtbanken motiveren dat ‘structureel onvoldoende’, concludeert het College voor de Rechten van de Mens in een nieuw rapport.

Foto Kees van de Veen

Een jaar zat hij in voorarrest, twaalf hele maanden. Niet dat hij geen ervaring had met de gevangenis, die had hij wel. Maar een heel jaar vastzitten in de overtuiging dat hij dit keer onschuldig was, viel hem zwaar. De eerste drie maanden zat hij in beperkingen, afgesloten van de buitenwereld. Hij werd apart gehouden van medegedetineerden en zat soms letterlijk 24 uur per dag in zijn cel.

„Je spreekt met je advocaat en je bewakers, verder is er niks. Geen telefoon, internet, televisie of radio. Je verliest het contact met de werkelijkheid, raakt in jezelf gekeerd. Het ergste is dat je zelfs familie en vrienden niet kan vertellen wat er aan de hand is en hoe het met je gaat.”

Aan het woord is een geboren Rotterdammer. Hij wil niet met zijn naam in de krant, zelfs niet met zijn voornaam. Daarom noemen we hem A. Hij woont inmiddels op het platteland van de provincie Groningen. Daar is hij met zijn vriendin een nieuw leven begonnen. Ze kregen onlangs een baby en zij heeft een kind uit een eerdere relatie. Hij wil terug naar school, een opleiding doen zodat hij jongeren kan helpen uit de criminaliteit te stappen. „Ik ken de verleiding en ik weet hoe moeilijk het is om je aan te passen als de enige regels die je kent, de regels van de straat zijn.”

A. doet zijn verhaal naar aanleiding van een onderzoek van het College voor de Rechten van de Mens dat deze maandag verschijnt over de toepassing van voorlopige hechtenis. Uit internationaal onderzoek blijkt dat Nederland in de toptien staat als het gaat om het opleggen van voorarrest: bijna 40 procent van de verdachten wordt in voorlopige hechtenis genomen.

Bijna 40 procent van de verdachten wordt in hechtenis genomen

Kruisjesformulier

Om te kijken hoe dat wordt gemotiveerd zijn 300 zaakdossiers onderzocht, die zijn aangebracht bij vier rechtbanken en twee gerechtshoven. Belangrijkste conclusie: bij vier van de zes rechtbanken en gerechtshoven worden beslissingen om iemand in hechtenis te plaatsen structureel onvoldoende gemotiveerd. Dat schuurt met het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. De beslissing om iemand gevangen te houden die nog niet is veroordeeld, moet goed en grondig worden gemotiveerd: een verdachte is onschuldig tot het tegendeel is bewezen.

Bij één rechtbank troffen de onderzoekers een standaard kruisjesformulier aan dat in vrijwel alle gevallen werd gebruikt. Een andere rechtbank gebruikte een formulier met standaardmotiveringen waarop geen ruimte was voor toelichting. Welke rechtbanken dat zijn is niet bekend.

Eén rechtbank heeft naar aanleiding van het onderzoek de formulieren aangepast zodat nu wel een goede motivering mogelijk is. Het College voor de Rechten van de Mens noemt dat een stap in de goede richting. Het College hoopt dat de resultaten worden meegenomen in de politieke discussie over modernisering van het wetboek van strafvordering waar de Tweede Kamer dit jaar mee is begonnen.

In zijn woonkamer vertelt A. in detail hoe hij de behandeling door de rechtbank heeft ervaren. Ja, hij is na een jaar in voorlopige hechtenis uiteindelijk vrijgesproken. En ja, die vrijspraak is definitief omdat het Openbaar Ministerie het ingestelde hoger beroep heeft ingetrokken. En ja, hij heeft een schadevergoeding gekregen van enkele tienduizenden euro’s voor het jaar dat hij ten onrechte vastzat. Maar toch. A. krijgt de tijd die hij heeft gezeten niet meer terug en de schade is niet alleen financieel. Het is pijnlijk, ook voor iemand die al eerder is veroordeeld en sinds zijn twaalfde een fors strafblad heeft opgebouwd. „Ik merk dat ik een stigma heb”, zegt hij. „Als ik in de buurt ben geweest van een overval of een inbraak, komt de politie altijd bij mij langs. En ook rechters zien mijn strafblad en denken: hij zal het wel gedaan hebben.”

Zo ging het ook in 2011 toen hij werd aangehouden voor in totaal 21 zaken van afpersing, diefstal met geweld en ontvoering. Gezien de ernst van de feiten hing hem tien tot vijftien jaar boven het hoofd, vertelde de advocaat van A. tegen hem. Maar A. was onschuldig, bezwoer hij. „Ik zei: zet me maar achter een spiegel om te kijken of getuigen en slachtoffers mij herkennen. Zo’n confrontatie bleef uit. De rechtbank hechtte meer waarde aan de verklaringen van agenten die A. hadden herkend van een foto in het dossier die was gemaakt bij een overval. Pas bij nader onderzoek bleek dat die fotoherkenning op een onjuiste manier was uitgevoerd en ook niet goed was geverbaliseerd. Toen de rechters zelf de foto bekeken herkenden ze A. niet. Mede op grond daarvan is hij vrijgesproken.

Maar daarvoor had diezelfde rechtbank wel drie keer zijn voorlopige hechtenis verlengd. Waarom bekeek de rechtbank die foto niet tijdens een van de zogeheten pro-formazittingen voor de verlenging van zijn hechtenis? „Weet je, zo’n zitting stelt niet zoveel voor. Rechters hebben geen tijd om het dossier te bestuderen en te beoordelen. Het is lopendebandwerk. Je wordt niet echt gehoord. Er wacht altijd een volgende zaak.”