De rokende medeburger

Het beste wat een mens in zijn leven kan overkomen is dat hij meer aan zorgpremies uitgeeft dan hij aan zorgkosten consumeert. Dan is hij blijkbaar zo gezond dat artsen- en ziekenhuisbezoek zeldzame gebeurtenissen zijn. Hij leeft met de geruststellende gedachte dat tegenover de premie die hij betaalt, de zekerheid bestaat dat hij het grootste deel van de kosten die hij maakt, mocht hij toch door ziekte of ander fysiek of psychisch ongemak worden getroffen, van zijn verzekeraar vergoed krijgt. Een mooi systeem.

Maar dat staat onder druk, zo meent de Raad voor Volksgezondheid & Zorg in een gisteren verschenen advies. In het bijzonder gaat het om de solidariteit die de basis vormt van het verzekeringssysteem: iedereen betaalt de premies voor zichzelf maar ook voor anderen. Verplicht.

Naarmate de premies hoger worden doordat de collectieve kosten van de volksgezondheid blijven stijgen, komt die solidariteit meer onder druk als de oorzaak daarvan mede ligt in het ongezonde gedrag van sommige medeburgers. Zo redeneert de raad.

In zijn advies staan verstandige opmerkingen, bijvoorbeeld over de noodzaak dat zorgkosten voor iedereen transparant worden, waar mogelijk een remmende werking van uitgaat.

Maar onvermijdelijk gaat de meeste aandacht uit naar wat in het advies leefstijldifferentiatie wordt genoemd. Met andere woorden: de discussie of de burger die ongezond leeft, rookt, drinkt, snuift, een hogere premie moet betalen dan degene die dat niet doet.

Ja, zegt de raad, die kiest voor de weg van de korting voor de ‘gezond’ levende premiebetaler. Hij heeft daarbij het oog op de collectieve polissen waarvan de meeste Nederlanders gebruikmaken en die hun samen een korting van 600 miljoen euro opleveren. Die korting zou alleen moeten zijn weggelegd voor degenen die, op vrijwillige basis, periodiek voor een conditietest slagen, suggereert de Raad.

Het is een heilloze weg. De vergelijkingen liggen voor de hand. De voetballer die zijn been heeft gebroken maar later nog steeds hard kan fietsen, krijgt de korting, maar de longpatiënt wiens ziekte genetische oorzaken kent dus niet? Voor beiden geldt dat zij verreweg de meeste zorgkosten in hun laatste levensfase maken. Rokers en drinkers zullen aanvoeren dat zij gewoonlijk eerder sterven en zo de maatschappij meer kosten besparen dan de gezonde burger die veel langer leeft.

Aan de stijgende, collectieve zorgkosten moet zeker een halt worden toegeroepen. Door overconsumptie en andere verspilling tegen te gaan en door het onvermijdelijke te erkennen: dat de burger meer zelf zal moeten betalen.