Aan een slaafse senaat hebben we niets

Kwalijker dan een Eerste Kamer die politiek bedrijft, zijn senaatsfracties die niet durven afwijken van de partijlijn, schrijft Rens Raemakers.

Het debat over de rol van de Eerste Kamer wordt vanwege de huidige politieke situatie in alle hevigheid gevoerd. Daarbij wordt echter te veel ingezoomd op irrelevante argumenten in plaats van op het fundamentele probleem: de identieke functies van beide Kamers.

Irrelevante argumenten

Vele critici hebben reeds betoogd dat de Eerste Kamer geen politiek orgaan zou moeten zijn. Maar het is weinig realistisch om van gekozen partijpolitici te verwachten dat zij hun oordeel zullen baseren op onafhankelijke, juridische overwegingen. De Eerste Kamer wordt verkozen door de leden van Provinciale Staten, die op grond van vrije en openbare verkiezingen zijn gekozen; vervolgens kiezen de Statenleden senatoren van een gelijke politieke kleur.

De senatoren worden niet verkozen op grond van hun briljante juridische kennis of vermogen tot objectieve oordeelsvorming; integendeel, het enige relevante criterium is partijlidmaatschap. Wat anders dan een politiek perspectief zouden die senatoren dan moeten gebruiken om wetgeving te beoordelen?

Op zichzelf is het ook helemaal niet bezwaarlijk dat de Eerste Kamer zich gedraagt als een politiek orgaan. Deze Kamer kan juist functioneren als effectieve tegenmacht en ervoor zorgen dat de ‘dictatuur van een toevallige meerderheid’ uit de Tweede Kamer geen doorgang vindt. Het is ook dit type argument dat de regeringsfracties VVD en PvdA notabene zelf aanhalen.

Dat de Eerste Kamer daarbij geregeld naar deel- en partijbelangen kijkt, is ook niet problematisch. Het in artikel 50 van de Grondwet verwoorde principe dat de Staten-Generaal ‘het gehele Nederlandse volk’ vertegenwoordigen, is sowieso een farce. Politieke partijen zijn het namelijk onderling oneens over wat het algemeen belang is en bovendien komen de meeste partijen juist expliciet op voor belangen van hun achterban.

Slaafsheid

Nee, het echte probleem is de slaafsheid waarmee de senaatsfracties hun fracties in de Tweede Kamer volgen; met uitzondering van een enkeling die zich zo af en toe distantieert van het partijstandpunt, zoals Hans Wiegel in 1999. Over het algemeen wordt er één partijlijn geformuleerd waar de fracties van beide Kamers zich consequent aan houden. Sterker nog, ze spinnen er momenteel garen bij: in ruil voor gezamenlijke steun kunnen de fracties specifieke partijwensen als ‘tegeneisen’ op tafel leggen. Daarmee vervaagt het onderscheid tussen Eerste en Tweede Kamer.

Zoals al aangehaald, kan men stellen dat het nut van de senaat juist is om als waarborg te functioneren tegen een toevallig tot stand gekomen meerderheid in de Tweede Kamer. Hoewel dit functioneel is, geeft dit de Eerste Kamer nog niet meteen ook meerwaarde. Bovendien is het feit dat de uitslagen van de Tweede en Eerste Kamer blijkbaar niet congrueren, vooral een indicatie dat de huidige opzet van Tweede Kamerverkiezingen aan vernieuwing toe is.

De verschillen die er op papier zijn, blijken verder in de praktijk enorm gerelativeerd te moeten worden. De Eerste Kamer mag formeel geen wetten wijzigen, maar zij kan wel een aanbeveling daartoe schrijven (novelle) of informeel invloed uitoefenen, waardoor haar beoogde wijzigingen toch al in een wetgevingsvoorstel zijn verdisconteerd. De Eerste Kamer mag geen wetgeving initiëren, maar de Tweede Kamer maakt ook slechts mondjesmaat gebruik van deze bevoegdheid.

Wat is de meerwaarde?

In andere westerse landen, zoals de VS en Duitsland, heeft de senaat wel degelijk toegevoegde waarde. Naast de vertegenwoordiging van de federatie als geheel in de ‘normale Kamer’, worden in de senaat specifiek de belangen van de deelstaten behartigd. Burgers voelen zich in deze landen niet alleen vertegenwoordigd door de politieke partij waar ze op stemmen, maar ook door de vertegenwoordiger van hún deelstaat.

Ook het Nederlandse stelsel poogt een dergelijke link tussen provincie en burger te leggen, getuige het feit dat de leden van Provinciale Staten de Eerste Kamer kiezen. Los van het feit dat de kabinetsplannen om van twaalf naar vijf provincies te gaan incompatibel lijken met het idee van provinciale vertegenwoordiging, komt dit principe nu ook al niet uit de verf. De link tussen provinciale vertegenwoordiger en provinciale kiezer is slechts indirect en de gekozen leden dragen op geen enkele manier uit dat zij ook een provinciaal belang hebben te dienen. Ik heb in elk geval nooit een senator horen opkomen voor het Limburgs of Brabants belang.

Wat is dan nog de meerwaarde van een Eerste Kamer die in essentie precies hetzelfde doet als de Tweede Kamer? De core business van de volksvertegenwoordiging is uiteraard ‘vertegenwoordigen’, maar in beide Kamers wordt hetzelfde partijbelang vertegenwoordigd. Het voornemen van het kabinet om het aantal provincies drastisch terug te brengen, vormt daarom dan ook een mooie aanleiding om de rol van de senaat kritisch te herzien of deze zelfs af te schaffen. Al is de vraag of zo’n plan in de Eerste Kamer een meerderheid zal vergaren.