Zijn we dan allemaal Amsterdammers?

Moreel taalidealisme: neem dat met een korrel zout. Wat politiek correct lijkt, kan fout zijn omdat woorden de wereld niet veranderen.

De gemeente Amsterdam heeft het woord ‘allochtoon’ taboe verklaard en in België is de gemeente Gent haar daarin prompt gevolgd. Een paar steden denken er nog over na; Leeuwarden kreeg van haar multiculturele adviesraad de aanbeveling hetzelfde te doen. De tegenstelling autochtoon-allochtoon past niet bij de missie van een gemeente die er voor álle mensen wil zijn, zo klonk het in de hoofdstad. De gemeente zal mensen van verre afkomst voortaan registreren als Surinaamse Amsterdammer, Marokkaanse Amsterdammer, enzovoort.

Amsterdam hoopt waarschijnlijk dat met het uitbannen van de tegenstelling ‘autochtoon-allochtoon’ ook het onderscheid in de realiteit zal verdwijnen. We zijn tenslotte, hoe verschillend ook, allemaal Amsterdammers.

Dat is niet helemaal onzinnig. De manier waarop wij over de wereld spreken geeft daar mede vorm aan, zo hebben taalfilosofen en linguïsten in de 20ste eeuw vastgesteld. Taal is niet alleen een spiegel van de werkelijkheid en zinnen zijn veel meer dan alleen constateringen dat die er zus-en-zo bij liggen. In onze woorden laten we de wereld op een bepaalde manier verschijnen, benadrukken we welke kenmerken daarvan belangrijk zijn en welke niet, en laten we zien wat wij daarvan vinden. Neutrale taal bestaat niet.

Ironisch genoeg was dat precies de reden waarom zo’n veertig jaar geleden het woord ‘allochtoon’ in het Nederlands gangbaar werd. Het bestond al veel langer, maar pas nadat beleidsmakers er systematisch gebruik van waren gaan maken, werd het een onderdeel van de dagelijkse woordenschat. Het verving het woord ‘vreemdeling’, dat geacht werd verdeeldheid te zaaien. Meer nog geldt het voor de term ‘gastarbeider’, want de nieuwe bevolkingsgroepen bleken niet alleen meer gekomen te zijn om te werken en na enige tijd weer te vertrekken.

Of het Amsterdamse initiatief veel succes zal hebben, is dan ook de vraag. De door het gemeentebestuur voorgestelde wijzigingen kunnen het woord ‘allochtoon’ immers niet werkelijk vervangen. Ze zijn te specifiek om de hele categorie mensen die elders geboren zijn, te omvatten. Wie in algemene zin over hen wil spreken, moet zijn toevlucht nemen tot iets als ‘mensen van buitenlandse afkomst’, onvermijdelijk afgekort tot ‘buitenlanders’, tot de term dus die nu juist favoriet is in kringen die niet erg positief staan tegenover alles wat van elders komt.

En daarmee kan de Amsterdamse goede wil zelfs het omgekeerde effect krijgen van wat beoogd werd en komen we met het allochtonentaboe van de regen in de drup. De realiteit is nu eenmaal meestal hardnekkiger dan alle goede bedoelingen en sterker dan de taalfilosofie wel zou willen. Hoezeer onze wereld ook gestalte krijgt in en door de woorden die wij gebruiken, helemaal passief is ze immers niet. Op de werkelijkheid en haar verhoudingen kan de taal ook stuklopen.

De geschiedenis van het woord ‘allochtoon’ bewijst dat. Ingevoerd als alternatief voor ‘discriminatoire’ termen, is het langzamerhand, zoals de Amsterdamse gemeente laat doorschemeren, zelf discriminatoir geworden. Naïef is dan wel de gedachte dat de termen die nu worden voorgesteld, een ander lot beschoren zou zijn. En dan komt al snel een polonaise op gang waarin periodiek de taal wordt vernieuwd, in een almaar wanhopiger poging het tij van de werkelijkheid toch nog te keren.

Het beste voorbeeld is misschien het woord ‘neger’, dat (anders dan ‘nikker’) aanvankelijk geen pejoratieve betekenis had. Vermoedelijk omdat het eerste zo op het tweede leek, werd het ergens in de jaren tachtig vervangen door ‘zwarte’, wat strikt genomen hetzelfde betekent. In de VS, waar deze hele beweging ontstond, moest dát vervolgens plaatsmaken voor ‘Afro-Amerikaan’: de term die waarschijnlijk model heeft gestaan voor de ‘Marokkaanse, Surinaamse, etc. Amsterdammers’ van nu.

Zo loopt dit idealisme, dat meent met woorden de werkelijkheid te kunnen veranderen, het risico het zicht te verliezen op de weerbarstigheid van diezelfde werkelijkheid. En ook binnen de taal zelf kan het vreemde effecten oproepen.

Ik herinner me nog levendig hoe ik een Amerikaan ooit hoorde spreken over een Afro-American, terwijl het ook hem al lang duidelijk moest zijn dat de persoon in kwestie gewoon een Ghanees was. De publiekelijk opgelegde plicht in zijn woordkeus te laten zien dat hij uit het goede hout gesneden was, bracht hem danig in het nauw.

De periodieke carrousel van wat terminologisch nog oirbaar is, kan zo ongemerkt venijniger effecten krijgen. Dergelijke veranderingen in woordgebruik vinden immers nooit in één keer plaats. Ze beginnen ergens in een ideologische voorhoede en verspreiden zich langzaam door de samenleving. En daarmee ontstaat een nieuwe grens: die tussen degenen die al wel en degenen die nog niet weten hoe het nu weer hoort.

Zo roept de zich steeds weer hernemende wil tot correct taalgebruik zelf datgene op wat ze nu juist probeert te vermijden: een scheiding tussen wie deugt en wie een beetje minder deugt. En die eerste groep zal daar in persoonlijke gesprekken of publieke discussies graag subtiel blijk van geven. Het is tenslotte altijd prettig zichtbaar aan de goede kant te staan.

We nemen het morele taalidealisme dus maar beter met een korrel zout. Taal is belangrijk en wellevendheid daarin zo mogelijk nog méér. Maar woorden alléén veranderen de wereld niet. Elke overspannen verwachting daarvan heeft perverse en onvoorspelbare effecten. Want woorden hebben hun eigen leven en soms keert wat ooit luidruchtig taboe was geworden zonder enige ophef gewoon weer terug. Zelfs het verdoemde woord ‘neger’ lijkt in het Nederlands langzamerhand alweer gewoon te worden.

Ger Groot is filosoof en doceert wijsgerige antropologie aan de Erasmus Universiteit Rotterdam en filosofie en literatuur aan de Radboud Universiteit Nijmegen