Wageningen is de tweede biotechstad

Na Cambridge komt de meeste nieuwe biotechnologische kennis uit Wageningen. De stad blijkt een ‘stabiele groeier’.

Wageningen is de op een na belangrijkste stad ter wereld wat betreft de productie van wetenschappelijke kennis over biotechnologie. Dat blijkt uit onderzoek van de twee Utrechtse wetenschappers Gaston Heimeriks en Ron Boschma.

Beiden doen onderzoek naar de concurrentiekracht van landen en regio’s. Wat bepaalt die? Springen ze voldoende in op nieuwe ontwikkelingen?

Voor dit onderzoek wilden Heimeriks en Boschma weten hoe nieuwe wetenschappelijke kennis ontstaat. En waar? Kan dat overal, nu de wereld geglobaliseerd en plat is? Of concentreert kennis zich toch altijd nog in bepaalde regio’s?

Voor hun onderzoek ontwikkelden ze een nieuwe methode. Ze selecteerden drie tijdschriften die tot de belangrijkste publicaties horen op het gebied van biotechnologie (Biotechnology and Engineering, Biotechnology Progress, en Journal of Biotechnology). Vervolgens brachten ze alle artikelen in de periode 1986 tot 2008 in kaart. Daarna scoorden ze de auteurs, hun werkplek, en talloze woorden in de titel van hun artikelen. Woorden als ‘bioreactor’, ‘enzym’, ‘recombinant’.

Uit hun onderzoek blijkt allereerst dat de wereldkaart van de biotechnologie opnieuw is getekend in de afgelopen decennia. In 1986 domineerden Europa, Japan en de Verenigde Staten op die kaart. Maar de kennisproductie in Azië, met name Zuid-Korea en China, is sterk gestegen. Op de ranglijst van steden met de meeste biotech-publicaties staan de Zuid-Koreaanse steden Seoul en Taejon op plaats 4 en 5, met respectievelijk 350 en 346 publicaties. De meeste publicaties kwamen uit de Amerikaanse stad Cambridge (431), gevolgd door Wageningen (353) en Londen (352). Bij de eerste 30 steden komt nog één andere Nederlandse stad voor: Delft. Die staat op plek 8.

Wageningen werd door Heimeriks en Boschma geclassificeerd als een stabiel groeiende stad, net als Londen. Ze weten hun aandeel in het totaal aantal gepubliceerde artikelen op peil te houden. In tegenstelling tot bijvoorbeeld Cambridge en Delft, die langzame groeiers zijn, en hun aandeel zien afnemen.

Het blijken juist de stabiele groeiers die steeds weer nieuwe wetenschappelijke gebieden verkennen, en op de kaart zetten. Wat maakt dat sommige steden hiervoor wel de dynamiek hebben en andere niet, is nog niet duidelijk, zegt Boschma, die hoogleraar regionale economie is aan de Universiteit Utrecht en hoogleraar innovatiestudies in het Zweedse Lund.

Het tijdschrift Journal of Economic Geography heeft het onderzoek van de twee Utrechtse wetenschappers is nu al online gezet. Binnenkort verschijnt het in druk.

Heimeriks en Boschma onderscheidden ook nog de snelle groeiers, die hun aandeel op het totale aantal publicaties zien groeien. Voorbeelden zijn Lyngby in Denemarken, Singapore, Shanghai en het Duitse Bielefeld. Deze groep bestaat meestal uit nieuwkomers, zonder sterke biotech-geschiedenis. Aan deze steden valt op dat ze vanuit de kennis die ze hebben snel en makkelijk vertakken naar nieuwe, aanverwante gebieden. „Dit laat zien dat je het beste kunt voortbouwen op bestaande kennis, en geen grote sprongen in het diepe moet maken”, zegt Boschma desgevraagd via de telefoon.

Trage groeiers daarentegen houden vast aan wat ze kennen. „Die specialiseren zich steeds meer en lopen het risico zich te isoleren van de wereldwijde kennisstroom.”

Heimeriks en Boschma keken ook nog naar de samenwerking van de biotechnologen. Internationale samenwerking wordt als steeds belangrijker gezien door beleidsmakers. Maar Wageningse wetenschappers bleken het meest samen te werken met Amsterdammers, gevolgd door onderzoekers uit Enschede, Zeist, Bilthoven, Delft en Ede, en daarna volgden pas wetenschappers uit Grenoble en Galway.