Ook de valutamarkt wordt wat onveilig

Hij wil er nog niet echt van komen, die langverwachte valuta-oorlog. Ja, de yen is inmiddels zo’n dertig procent lager ten opzichte van de dollar sinds de verkiezing van de Japanse premier Abe eind vorig jaar, en er wordt nu heel wat gemaakt van de verzwakking van de euro in de laatste weken. Maar het is niets vergeleken bij de epische slagen op de valutamarkt uit het verleden. Het Plaza-akkoord van 1985 bijvoorbeeld, toen de dollar zo hoog was dat hij nu omgerekend 0,69 dollar per euro zou kosten (tegen 1,30 nu). Het Louvre-akkoord om de zaak twee jaar later te stutten toen de dollar in waarde was gehalveerd. De strijd om het pond sterling en de lire in 1992. Het ‘benign neglect’ waarmee het Witte Huis de dollar liet verzwakken in 1995.

Kijk daarentegen naar de eurocrisis – zonder overdrijven toch de grootste economische, financiële en in grote delen van Europa sociale crisis sinds de oorlog. De euro heeft slechts tien procent gefluctueerd ten opzichte van een middelpunt van 1,35 dollar. Dat zegt overigens ook veel over de munten waartegen zij schommelt, die ook niet zonder zonden zijn.

Hoe zou een valuta-oorlog er in de praktijk nu uitzien? Dat weet, opmerkelijk genoeg, eigenlijk niemand. Het enig zichtbare zijn centrale banken die steunaankopen of -verkopen plegen. Maar de rest van de valutamarkt is eigenlijk onbekend. Er zijn geen beurzen voor, geen centrale plekken, geen openings- en sluitingstijden. Alle handel gaat ‘over the counter’, dus tussen twee partijen. En dus is er geen statistiek. De enige echte clou komt uit een driejaarlijkse enquête onder leiding van de Bank voor Internationale Betalingen (BIS), die wordt uitgevoerd door vrijwel alle aangesloten centrale banken. Volgende maand begint die enquête, en de uitkomst wordt dit najaar pas verwacht.

Dat is bizar voor een markt waarin, volgens de laatste BIS-telling uit 2010, een kleine 4.000 miljard dollar per dag aan valutatransacties wordt gedaan. Er is inmiddels wel een methodiek ontwikkeld om tussentijds te schatten, en die wijst uit dat eind 2011 de dagelijkse omzet was gestegen tot 4.700 miljard dollar.

Is dat gebrek aan informatie gevaarlijk? De valutamarkt kent geen grote calamiteiten, dus je zou zeggen dat hij prima functioneert. Maar dat is niet helemaal meer het geval. Van oudsher werd de markt onderhouden door grote banken, die bied- en laatprijzen afgaven voor de belangrijkste valutaparen en de liquiditeit van de handel in stand hielden.

De BIS publiceerde onlangs een aantal onderzoeken waarin wordt vermoed dat dit ‘gentlemen’s agreement’ aan het ontrafelen is. High frequency traders, die werken met supersnelle computerhandel, buitten het tijdsverschil uit tussen het afgeven van achtereenvolgende bied- en laatprijzen door de grote banken en ontregelden het systeem. De huidige situatie is volgens de BIS dat de snelle handelaren, in plaats van de traditionele partijen, nu zo belangrijk zijn geworden dat zijzelf voor de liquiditeit zijn gaan zorgen.

De zorg is nu of zij dat, in tijden van stress, ook blijven doen. Of verlaten ze dan de markt, waardoor die grotendeels opdroogt? In dat geval zouden er plotseling enorme koersschommelingen kunnen optreden. Dat weten we al van de aandelenmarkt. Maar op de valutamarkt is het veel destructiever, want veel politieker. Misschien komt die ‘oorlog’ er dus toch. Maar dan onbedoeld, en ongepland. En vol misverstanden.

De redacteuren Maarten Schinkel en Menno Tamminga schrijven in deze wisselcolumn over economische ontwikkelingen.