Noem leraren dan 'klasmanagers'

Paul Goossen en Erwin de Vries behoren tot het krimpende gilde van bevoegde, academisch opgeleide leraren. Je zou zeggen dat ze als goede, ervaren docenten, eerstegraads, dus bevoegd voor de bovenbouw, ook in de topinkomensschaal zitten. Dat is niet het geval. Voormalig minister van Onderwijs, Ronald Plasterk, had daar nog extra geld voor vrijgemaakt. Maar op school staat management nu eenmaal in hoger aanzien dan vakinhoudelijke kennis en goed lesgeven. Geen wonder dat de leerlingen later ‘management’ willen gaan studeren en niet een taal.

Ik ontmoette deze twee leraren op het Nationaal Congres Duits in De Werelt te Lunteren, een plaats waar ook de sterren van het vak komen. Paul Goossen is begenadigd docent Duits aan de Dalton Scholengemeenschap in Voorburg, actief voor het Duitsland Instituut en redacteur van de website duits.de, een docenten- en leerlingensite voor Duitse taal en cultuur. Niet het spijkerbroektype, hij had een blauw pak aan. Op het congres gaf hij een werkgroep Landeskunde – Tipps und Erfahrungen. Na studie in Leiden, Bonn en Hamburg werd hij met grote vanzelfsprekendheid leraar.

Een ander voorbeeld is Erwin de Vries van het Groningse Willem Lodewijk Gymnasium, tevens voorzitter van de sectie Duits van de Vereniging voor leraren in levende talen. Hij was eindredacteur van een lesboek en hij heeft een kleine uitgeverij, Ektekst, met vertalingen, leerboeken en software voor Duits.

Maar dat soort extra kennis wordt minder belangrijk gevonden. Gelukkig geven Goossen en De Vries niet veel om dat geld. „Als je dat belangrijk vindt, moet je niet in het onderwijs gaan”, zegt Goossen. Hij heeft liever kleinere klassen. „Als je een klas van dertig hebt, zitten er tien toe te kijken hoe twintig leerlingen les krijgen”, zegt hij. Hij hoopt altijd op een klas die net ietsje te groot is, zodat die in twee kleine moet worden gesplitst.

De werklast van leraren in Nederland is hoger dan elders. Kortere vakanties en wel 26 uur lesuren per week met alle toetsen, examens en speciale opdrachten. Goossen geeft les aan negen klassen. Hij staat ‘te tollen’ als hij weer 395 leerlinggesprekjes achter elkaar heeft moeten houden.

Een handjevol studenten studeert nog een taal. Gelukkig trekt de Nederlandse school nog academisch gevormde Duitsers. Bij Nederlands, Engels, wiskunde en andere basisvakken zijn de tekorten aan bevoegde leraren groter, vooral de eerstegraads. Dat is terug te zien in de resultaten.

Aan de onderkant scoort het Nederlandse onderwijs nog redelijk in internationale vergelijkingen maar aan de bovenkant blijven de resultaten mager. Vandaar de run op de gymnasia, ook van leerlingen die helemaal niet in klassieke talen zijn geïnteresseerd. Daar heb je de grootste kans om een leerkracht aan te treffen die meer weet dan wat er in het lesboek staat.

Universiteiten hebben nu speciale lerarenopleidingen, waar studenten naast Duits vakdidactiek en pedagogiek krijgen. Het loopt nog zeker geen storm maar er zit wat groei in, vooral bij de masterstudenten Duits. Met zo veel jongere academici die werkloos worden, moet het tekort aan bevoegde leraren toch kunnen worden aangevuld. Dit is een kans. Noem de studie desnoods ‘klasmanagement’ of ‘Duitse communicatie’. En misschien genezen studenten wel van die massale behoefte om boekhouden & graaien te studeren. Daar is geen werk meer in te krijgen.

De nieuwe held is Stoner, uit de gelijknamige roman van John Williams. Dit boek wordt na vijftig jaar herontdekt en dat past in de tijdgeest. Het gaat over het leven van de boerenzoon William Stoner, die zich zijn leven lang toelegde op goed lesgeven aan een plattelandsuniversiteit, het enige waar hij in slaagde. De ‘klasmanager’ heeft de toekomst.