Jammer hoor, te laat asiel gevraagd

Mina William is 14 jaar. Hij is in Nederland geboren, zit op de havo, woont in Den Haag op een bovenhuis vol Mariabeelden. Hij moet weg.

Bij Mina kun je niet zeggen: hij moet terug, want hij is nooit in Egypte geweest. Zijn ouders komen wel uit Egypte, zij vluchtten naar Nederland voordat Mina werd geboren. Ze werden vervolgd, zegt zijn vader, omdat ze christen zijn.

Mina is nogal Nederlands. Hij houdt van voetballen en gaat met zijn vrienden af te toe naar een film.

Voor het kinderpardon komt hij niet in aanmerking. Zijn ouders vroegen vijftien jaar geleden geen asiel aan. Ze leefden illegaal in Nederland. Een asielaanvraag is een voorwaarde voor het pardon. Uiteindelijk deed zijn vader het een paar jaar geleden wel, maar dat was te laat.

Voor een veertienjarige praat Mina nogal volwassen. „De situatie was de laatste tijd nogal gespannen”, zegt hij. Zijn ouders moesten bij de vreemdelingenpolitie komen. Hij ging mee om te tolken. Dat doet hij altijd. Zijn jongere zusje bleef thuis. „Daar zeiden ze dat we tickets moesten kopen. We schrokken ons helemaal kapot.”

Mina is zorgzaam en serieus. „Het gaat nu beter met mijn ouders”, zegt hij. „Eerst zat mijn vader stil voor zich uit te kijken. Nu doet hij weer dingen. Hij gaat op bezoek bij een vriend of zo.”

En hoe gaat het met Mina? „O, best goed hoor.” De bedrukte sfeer, een emotionele vader, een moeder die vaak moet huilen. Hij is het gewend.

Ergens gelooft hij ook niet echt dat hij naar Egypte moet. Zijn vader heeft hem zo vaak vertelt hoe gevaarlijk het daar voor hen is. Dat gaan ze niet goed vinden.

Mina gaat hier zijn school afmaken, zegt Mina. En dan studeren. Voor journalist. Of voor astronaut.