In de verkeerde cultuur geboren

Niet in het verkeerde lichaam geboren, maar in de verkeerde tijd of cultuur, dat kan ook. Ik citeer Michael Boogerd: „Ik heb spijt dat ik in een cultuur wielrenner ben geweest […] Ik heb spijt dat ik niet in een andere periode wielrenner was geweest.”

Het is een intrigerende spijtbetuiging, want Boogerd legt de verantwoordelijkheid bij tijd en de cultuur, niet bij zichzelf. Ik zocht naar de geboortedatum van Michael Boogerd: 28 mei 1972. Boogerd en ik schelen 4 maanden. Nu is het een kenmerk van de generatie Boogerd dat wij zijn opgegroeid met het idee dat cultuur een grote rol speelt bij het verklaren van het handelen van het individu. Terwijl Boogerd zich in de jaren negentig drogeerde met epo, nam ik de ene na de andere teug sociaal constructivistische theorie. Ik studeerde tijdens de hoogtijdagen van postmoderne, poststructuralisme en cultural studies. Het was gedaan met het individu als genie; elke prestatie, of het nu een grootse film of een wetenschappelijke ontdekking betrof, was tot stand gekomen in een groep, in bepaalde tijdsgeest en onder bepaalde culturele omstandigheden.

Ik begrijp Boogerd dus wel als hij zegt dat het allemaal anders was geweest als hij in een andere cultuur of periode wielrenner was geweest. De mens is een product van de (culturele) omstandigheden, en de topsporter is daarbij een extreem geval. Ik kan – en dat komt ook door de tijd waarin ik ben gevormd – bijna niet anders dan naar het sportende lichaam kijken door de theoretische bril van Michel Foucault en Donna Haraway. Als ik de renners zie zwoegen, dan zie ik medische objecten; ik zie cyborgs met een fiets als prothese.

Toch is het grijpen naar de tijdsgeest als excuus een ethisch glibberpad. Neem deze andere uitspraak uit de media van de afgelopen week: „Als ik de tijd mee zou hebben, dan zou ik hier niet eens hoeven te zitten.” Aan het woord is Marthijn Uittenboogaard, voormalig voorzitter van pedoseksuelenvereniging Martijn in Pauw & Witteman. Ook hij (geboren in 1972!) wijst erop dat de normen en waarden omtrent pedoseksualiteit in de jaren tachtig anders waren dan nu, namelijk coulanter. Onze visie op seksualiteit is normatief en wordt door het discours van de tijd gevormd. Dat is ook heel Foucaultiaans, maar het laat onverlet dat een cultuur het ook mis kan hebben. Het is zoiets als zeggen: „als ik de tijd mee zou hebben zou ik mijn vrouw gewoon kunnen slaan”.

Je kunt en mag een cultuur ook veroordelen. Dat nu, is precies wat Boogerd had moeten doen: de cultuur veroordelen, in plaats van die als excuus op te voeren.

„Wat vind je van de kwaliteit van Boogerds biecht?”, vroeg een vriend aan me, en met die vraag sloeg hij de spijker op zijn kop: na de zoveelste biecht is de authentieke biecht onmogelijk; de televisiebiecht is een performance met meer of minder sterke teksten. Het was dan ook verfrissend dat misdaadjournalist Peter R. De Vries (1956) – duidelijk van een andere generatie, namelijk een die het individu geheel verantwoordelijk stelt voor zijn of haar daden –, ook door de media was opgetrommeld om de biecht van Boogerd te evalueren en nog even wees op de miljoenen die er omgaan in het wielrennen.

Het leukste commentaar kwam van een dame op leeftijd, wielerfan, in het programma Debat op 2: „Nee, ik ga geen Tour de France kijken, want ik ben erg visueel ingesteld. Ik zie de bloeddoping. Dat wordt radio.” Mag zij als zesde zintuig commentator worden bij de NOS? Er is weer een plekje vrij.

Filosoof, schrijver en tv-maker Stine Jensen schrijft elke dinsdag over media, populaire cultuur en hypes.