Haal de vut maar weer van stal

Flexibilisering van de arbeidsmarkt lost het probleem van de werkloosheid niet op, betoogt Paul de Beer. Dan liever weer gaan ‘vutten’ – tijdelijk.

Nu de laatste maanden de werkloosheid steeds sneller stijgt – iedere dag komen er zo’n vijfhonderd werklozen bij – beginnen steeds meer beleidsmakers en politici zich hierover terecht zorgen te maken. Het valt dan ook toe te juichen dat drie economen van naam zich over het probleem van de snel stijgende werkloosheid buigen (Pieter Gautier, Bas van der Klaauw en Bas ter Weel in NRC Handelsblad van 7 en 8 maart). Hun bijdrage stelt echter teleur.

Zij constateren een probleem – de werkloosheid loopt snel op – en stellen een oplossing voor – maak de arbeidsmarkt flexibeler – waarvan zij zelf constateren dat ze het probleem juist niet oplost: „Het voordeel van een flexibelere arbeidsmarkt is niet dat het [sic] de werkloosheid verlaagt.” Bovendien presenteren zij het aanpassen van de arbeidsmarktinstituties als een langetermijnoplossing. De honderdduizenden die nu werkloos zijn of hun baan (dreigen te) verliezen, hebben zij derhalve weinig anders te bieden dan geduld tot de arbeidsmarkt aantrekt. Niemand weet hoe lang dat kan duren.

Terwijl zij zelf geen oplossing aandragen om de werkloosheid te bestrijden, wijzen zij suggesties voor tijdelijke arbeidstijdverkorting en het opnieuw invoeren van de vut zonder veel omhaal van woorden van de hand. Als argument daarvoor verwijzen economen veelal naar de jaren tachtig, toen deze instrumenten massaal werden ingezet, maar geen resultaat opleverden.

Dat arbeidstijdverkorting niet veel nieuwe banen opleverde, kwam vooral doordat de contractuele afspraken over een kortere werkweek niet in praktijk werden gebracht; veel werknemers bleven evenveel uren werken.

De afspraken over arbeidstijdverkorting stelden de vakbeweging wel in staat akkoord te gaan met loonmatiging, die in belangrijke mate heeft bijgedragen aan de banengroei vanaf midden jaren tachtig. De vervroegde uittreding (vut) was inderdaad geen succes doordat ze al snel van een middel om ouderen plaats te laten maken voor jongeren tot een verworven recht werd om ruim voor de officiële pensioenleeftijd te stoppen met werken.

Dat beide instrumenten dertig jaar geleden niet werkten, betekent niet dat zij ook nu zullen falen. Als zij nadrukkelijk een tijdelijk karakter hebben, kunnen zij wel degelijk helpen om ontslagen te voorkomen.

In een bedrijf waar ontslagen dreigen doordat de afzet stagneert of terugvalt, is het beter om de pijn eerlijk te verdelen over het gehele personeel door een paar uur korter te gaan werken of om oudere medewerkers eerder met pensioen te sturen dan medewerkers die in het midden van hun carrière zitten te ontslaan. Zodra de vraag aantrekt, kunnen de medewerkers weer meer uren gaan werken en wordt van ouderen verwacht dat zij weer langer door werken.

Twee groepen vragen om bijzondere aandacht: jongeren en ouderen. Een slechte start op de arbeidsmarkt kan lang zijn sporen nalaten in je loopbaan. Het is dus van groot belang dat jongeren die het onderwijs verlaten niet werkloos thuis zitten. Het plan van de ministers van Sociale Zaken en Onderwijs om schoolverlaters van het mbo te stimuleren nog wat langer door te leren, verdient dan ook steun.

Daarnaast zou het goed zijn als bedrijven en overheid (tijdelijk) extra stage- en werkervaringsplaatsen creëren om te zorgen dat werkloze jongeren alvast werkervaring kunnen opdoen. Het is nogal wrang dat een wet die bedoeld was om te garanderen dat jongeren tot 27 jaar ofwel studeren ofwel een baan hebben (de wet WIJ) ruim een jaar geleden bij gebrek aan succes is opgeheven.

De positie van ouderen op de arbeidsmarkt is, anders dan vaak wordt verondersteld, relatief goed. Werknemers werken tot op steeds latere leeftijd door en het risico op werkloosheid is laag; slechts een op de twintig oudere werknemers verliest jaarlijks zijn/haar baan. Als een oudere echter toch werkloos wordt, is de kans om weer aan het werk te komen heel klein.

Feitelijk worden oudere werklozen afgeschreven voor de arbeidsmarkt. In dit licht is het wel erg hardvochtig om de duur van de loongerelateerde werkloosheidsuitkering tot een jaar te beperken, zoals het kabinet van plan is. Een 55-jarige werkloze die dertig jaar of meer heeft gewerkt, valt daarmee al na een jaar werkloosheid terug op bijstandsniveau.

Veel economen menen dat de kansen van oudere werklozen alleen kunnen worden verbeterd door de ontslagbescherming van ouderen te verminderen. Die zou werkgevers immers afschrikken om ouderen aan te nemen.

Dit is een merkwaardige redenering. Er is immers geen belemmering om een oudere werkloze eerst op een tijdelijk contract aan te nemen, en dan geldt voor hem/haar net zo weinig ontslagbescherming als voor andere flexwerkers. Het lijkt dan ook veel meer de negatieve beeldvorming van ouderen te zijn die werkgevers belemmert om oudere werklozen aan te nemen, dan de strikte ontslagbescherming of hoge kosten. Helaas kan de overheid hieraan weinig veranderen.

Hopelijk krijgen werkgevers steeds meer positieve ervaringen met oudere werknemers, simpelweg omdat hun personeelsbestand door de vergrijzing ouder wordt en medewerkers later met pensioen gaan. Tot die tijd is voorkómen dat ouderen werkloos worden de beste aanpak: zolang de crisis voortduurt is er dan ook meer reden de ontslagbescherming voor ouderen te verscherpen dan te versoepelen.

Paul de Beer is hoogleraar arbeidsverhoudingen en directeur van De Burcht, het wetenschappelijk bureau voor de vakbeweging.