Een land vol commissies

Eerst was er de ‘Woestijnwet’ die ervoor zorgde dat het mes werd gezet in het aantal adviesraden dat permanent voor regering en parlement werkte. Dat mocht ook wel, want er was een periode dat er niet minder dan 120 van zulke organen waren.

Vervolgens was er, in 2004, de initiatiefnota De Schaduwmacht van toenmalig Tweede Kamerlid Wijnand Duyvendak (GroenLinks), die het grote aantal ad-hoccommissies aan de kaak stelde. Daarin stond ferme taal. In Nederland was sprake van „een nauw verweven netwerk van politieke benoemingen, achterkamertjespolitiek en invloeden vanuit de top van het bedrijfsleven”. Zulke commissies, in het leven geroepen om over een kwestie te adviseren of te oordelen, vormden een „schaduwmacht”.

Duyvendak, een Kamerlid in wie de activist levend was gebleven, publiceerde zelfs een toptien van schaduwmachthebbers, die werd aangevoerd door Hans Alders, destijds commissaris van de koningin in Groningen. Op de derde plaats (dus ook toen al) stond Elco Brinkman, voorzitter van de Eerste Kamerfractie van het CDA en (nog) van Bouwend Nederland.

Weliswaar nam de Tweede Kamer niet al deze beoordelingen over, maar wel de belangrijkste conclusie van Duyvendak: er moesten maar eens veel minder van zulke commissies komen. Dat gebeurde door middel van een motie van zijn partijgenote Halsema, die mede was ondertekend door SGP, LPF, PvdA en D66. Het was dus een opvatting die van links tot rechts werd gehuldigd.

Uit onderzoek van deze krant bleek gisteren dat het uiteindelijk niet is gelukt. De afgelopen zeven jaar werden gemiddeld 34 commissies ingesteld, meer dan in de periode daarvoor.

Is dat erg? In theorie is denkbaar dat de motie-Halsema toch is uitgevoerd. Daarin stond dat het aantal ad-hoccommissies „tot een minimum” moest worden beperkt. Maar ‘minimum’ is een ongedefinieerd en dus rekbaar begrip.

Inderdaad zijn er commissies waarvan het nut in twijfel kan worden getrokken of die de verdenking op zich laden dat ze zich laten misbruiken. Schaf ze af. Ongetwijfeld is het ook goed steeds kritisch te kijken naar de samenstelling van de commissies, die in elk geval het lef moeten hebben om druk van ministeries of andere betrokkenen te weerstaan. Het voordeel van een goede commissie is juist dat haar werk niet op voorhand door politieke of andere belangen wordt gekleurd.

Dit soort vereisten is van veel wezenlijker belang dan een dispuut over het gewenste aantal ad-hoccommissies. Dat kan van jaar tot jaar verschillen, afhankelijk van de actuele kwesties van het moment. Het besluit daarover van de Tweede Kamer blijkt achteraf niet meer dan stoere taal te zijn.