Doe de aids-quiz. Sms hiv naar 777

Arjen Swank behoort tot de nieuwe generatie ontwikkelingswerkers. „Afrikanen willen gezien worden als consumenten, niet als arm en zielig.”

Verslaggever

Op de vraag of hij een idealist is, wordt Arjen Swank (27) even stil. „Wat bedoel je daarmee? Of ik de wereld wil verbeteren? Jeetje, zo heb ik nog nooit over mezelf nagedacht.” Toch werkt Swank, strak in grijs pak, in de ontwikkelingshulpsector.

We zitten in het West-Indisch Pakhuis in Amsterdam, onder een enorme, gietijzeren kroonluchter. Tussen de monumentale Delfts blauwe tegeltjes onder de schouw hangen grote vellen papier: ‘What we do, what we want’ staat er in rode stifthalen. In deze kamer ruilden de Nederlanders naar verluidt in de zeventiende eeuw New York, toen nog Nieuw Amsterdam, voor Suriname. In het historische pand huist nu AmLab, een platform van drie jonge ontwikkelingsorganisaties, waaronder Text to Change, waar Swank werkt.

Swank behoort tot de nieuwe generatie ontwikkelingswerkers. Hij heeft geen ontwikkelingsstudies gedaan, geen schooltjes gebouwd in afgelegen Masai-dorpjes. En nee, nooit gecollecteerd voor Oxfam Novib. Wat hij wel heeft? Een Master International Business Studies, kennis van marktwerking en ondernemerschap, en een flink kritisch oog.

Zijn organisatie, Text to Change (TTC) zet zich met mobiele technologie in voor wat zo mooi social change heet. De stichting helpt lokale organisaties en overheden in Afrika en Zuid-Amerika om informatie te versturen en ontvangen via mobiele telefoons. „Dat kan van alles zijn, bijvoorbeeld hiv/aids-voorlichting”, legt Swank uit. „Wij zorgen via radiocampagnes dat mensen zich met een gratis sms’je bij ons aanmelden: ‘Doe mee aan een hiv/aids-quiz, wie 15 vragen goed heeft wint 1 euro beltegoed. Sms hiv naar 777.’ Wij sturen vervolgens naar de duizenden mensen die zich aanmelden een quiz. Bijvoorbeeld: ‘Vraag 1: Kan een gezond uitziend persoon ook hiv-besmet zijn? Sms 1 voor ja, 2 voor nee.’ Of mensen het antwoord goed of fout hebben is waardevolle informatie voor de voorlichtingsorganisatie of overheid. Plus: we kunnen de mensen direct iets leren door terug te sturen: ‘Je antwoord was fout. Ook een gezond uitziend persoon kan hiv hebben’.” TTC is de eerste organisatie die in Afrika via mobiele technologie niet alleen informatie zendt, maar ook ontvangt.

Voorlichting via mobiele technologie?

„Ja, meer dan de helft van de Afrikanen heeft toegang tot een mobiele telefoon. En ongeveer een miljoen mensen per maand kopen een aansluiting: de dorpsoudste heeft dan bijvoorbeeld een Nokia 3310, en iedereen in het dorp mag daar elke week tien minuten zijn simkaart instoppen. Het mobiele bereik is er nu ongeveer 75 procent. Een smartphone is voor veel mensen nog onbetaalbaar – zowel de internetaansluiting als het opladen kost veel te veel geld. Afrikanen willen een mobiel met een zaklampje, een radio, sms- en belfunctie en een batterijduur van minimaal drie weken.

„Een van de problemen is dat mensen nog niet weten hoe een mobiel werkt. Een man laat dan vol trots zijn telefoon zien, maar vertelt dat-ie soms vervelend gaat trillen – en dat dat stopt als hij op de groene knop drukt en de telefoon weer in z’n zak stopt. Maar dat herken ik ook van mijn eigen opa – die vroeg een paar jaar geleden ook aan mij, Arjen, hoe moet ik bellen? En nu stuurt hij me sms’jes. Technologie heeft wat tijd nodig om te beklijven.

„De opkomst van mobieltjes in Afrika is echt een revolutie. Kinderen kunnen bijvoorbeeld via hun mobiel geld sturen naar hun ouders, die 800 kilometer verderop wonen. Vroeger moest dat geld in een envelop, die met vijf lokale busjes meemoest – dan was het maar hopen dat eenvijfde deel bij de ouders aankwam. Nu is het er met één druk op de knop.”

Je bent geen typische wereldverbeteraar. Wat trok jou dit vak in?

„Ik was niet per se aangetrokken door Text to Change. Via via kwam ik hier aan een boekhoudersbaantje en vandaar ben ik doorgerold naar Program Manager. De omslag kwam na mijn eerste trip naar Afrika. Ik ging naar Ghana – kijken welke projecten we daar konden opzetten. Ik verwachtte wat ik op het NOS Journaal had gezien, wat ik in de kranten had gelezen: conflict, corruptie, armoede. Mensen die uitgehongerd op een vlakte liggen. Vanaf heel jong is mij geleerd dat Afrika een continent in puin is: ik herinner me de collectebusjes die bij de apotheek stonden vroeger. ‘Geef je wisselgeld voor Afrika.’ Nooit voor Azië of Zuid-Amerika.”

Wat zag je wel in Afrika?

„Gewoon mensen. Burgers met eigen ideeën, die prima in staat zijn zichzelf te helpen. Vindingrijkheid. En de drive om zaken te doen. Ze zien ons als een kans.

„En ik zag mensen van wie wij heel veel kunnen leren. Dat is iets wat nu nog heel weinig gebeurt – omgekeerde kennisoverdracht. Bijvoorbeeld over mobile banking, wat in Kenia enorm ontwikkeld is. Dan betaal je gewoon op de markt met je mobiel – daar kunnen wij wat van leren.”

Klassieke ontwikkelingshulp komt iets brengen. Jij zegt dus dat we juist iets moeten halen in Afrika?

„Absoluut! Afrikanen willen gezien worden als consumenten, niet als arm en zielig. Ik associeerde ontwikkelingswerk met geitenwollen sokken. Maar het is ook een business, en als je het op die manier benadert kun je er veel meer uithalen. Ik kijk naar potentie en naar de duurzaamheid van oplossingen. Een systeem moet zichzelf kunnen onderhouden zonder subsidies, als de donoren zich terugtrekken. Zoals we in Ethiopië doen bijvoorbeeld: wij sturen kleine boeren een sms met daarin de actuele prijsinformatie van hun producten. Als zij weten wat hun groentes waard zijn, kunnen ze niet meer worden afgezet door handelaren op de markt. Voor die informatie betalen de boeren zo’n 4-6 cent per bericht. Daardoor draait het project break-even. Maar ik krijg daar soms rare reacties op – een vriend van mij is antropoloog, en die noemde het uitbuiting. Zo van: ‘die informatie moet je aan mensen geven, daar kun je geen geld voor vragen!’

„Het ligt gevoelig om Afrika als kans te zien. Maar er zit enorm veel investeringspotentieel. Toch zijn veel bedrijven nog angstig om in Afrika te investeren – door onwetendheid. We zijn nu bezig een platform op te zetten waarop iedereen vragen kan stellen aan een x-aantal Afrikanen. Een champignonboer die wil exporteren naar Oeganda kan bijvoorbeeld aan 500 Oegandezen vragen of ze champignons wel lekker vinden. Dat vragen gaat dan via sms. Het mooie van mobiel is juist die schaal: je kunt zó veel mensen bereiken, en daarmee dus zó veel levens veranderen.”

Dat klinkt toch best idealistisch.

„Ja… maar ik denk vooral dat ontwikkelingshulp demand driven moet zijn. Dus niet: ik kom de wereld daar verbeteren. Maar: oh, jullie hebben een probleem of een vraag, nou, daar kunnen wij mee helpen. We moeten ophouden met Afrikanen alleen als lijdend voorwerp van ontwikkelingswerk zien.”

Eén van de andere grote problemen van klassieke ontwikkelingshulp is de meetbaarheid van resultaten. Hoe weet je dat je hulp werkt?

„Ja, dat is een probleem. Ik was afgelopen jaar bij de eindshow van 3FM Serious Request. Er was 12,5 miljoen opgehaald en Kane kwam optreden. Ik hoorde iemand naast me zeggen: ‘Jaja, nu is dat geld dus gebruikt om Kane in te huren.’ Mensen zijn enorm kritisch geworden, en terecht.

„En dat is juist het coole van techniek: mobiele telefoons kunnen enorm bijdragen aan de meetbaarheid van de resultaten van ontwikkelingswerk. Nu gaan organisaties vaak nog met vragenlijsten van deur tot deur om te kijken of een campagne effect heeft gehad. Dat is superarbeidsintensief. Met een sms is controle veel makkelijker. Bijvoorbeeld: ‘Is er vandaag een leraar in jouw klas geweest? Sms 1 voor ja, 2 voor nee.’ Of: ‘Was jij je handen voor het eten? Sms 1 voor ja, 2 voor nee.’

„Een ander probleem, en dan komen we weer bij de businesskant, is dat er wel een duidelijk target moet zijn. Wat is de definitie van een geslaagd project? Veel organisaties modderen maar wat aan, zonder een benchmark voor hun impact te hebben.

Je bent het dus eens met minister Ploumen (Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking, PvdA) dat handel de toekomst heeft?

„Tot op zekere hoogte. Ontwikkelingswerk vervangen door handel kan namelijk ook spaaklopen. Bijvoorbeeld, je wilt 10.000 mensen bereiken met malariavoorlichting. Dat is je target. Maar je bereikt er maar 8.000. Een bedrijf zegt dan: die unit gooien we eruit. Maar als ontwikkelingsorganisatie zeg je: we hebben die 8.000 mensen wél bereikt.”

Wat is dan wél de toekomst voor ontwikkelingswerk?

„Meer marktwerking. Minder praten, meer doen. Iets proberen en stoppen als het niet werkt. En dan weer iets anders proberen.”

En jouw toekomst?

„Voorlopig zie ik nog veel uitdaging bij TTC, er is nog veel potentie voor dataverzameling via mobiele telefoons. Niet alleen in Afrika en Zuid-Amerika maar ook bijvoorbeeld in Azië. Later zou ik wel een eigen bedrijf willen. In een ontwikkelingsland, maar niet met een ontwikkelingsproduct. Dus geen paracetamol, maar laptops ofzo. Er zijn nog zó veel mogelijkheden in Afrika onbenut.”