Delicaat handwerk in ode aan het ambacht

Beeldende kunst

Hand Made t/m 20 mei in Museum Boijmans Van Beuningen, Museumpark 18-20, Rotterdam. Di-zo 11-17u. Inl.: boijmans.nl *****

Tienduizend uur oefenen. Dan pas ben je een ambachtsman, één met je gereedschap. Aldus theoreticus Richard Sennett in The Craftsman: een bijbel voor de wereldwijde hordes ambachtsfans. Onder hen zijn professionele vormgevers maar ook hobbyisten. Zelfs de overheid springt in op deze populariteit om jongeren te werven voor vakopleidingen die tobben met terugloop.

Tienduizend uur. Wat die investering oplevert, is te zien in de tentoonstelling Hand Made in Museum Boijmans Van Beuningen. Met zijn grote kunstnijverheidscollectie kon het museum de ambachtrevival niet negeren, maar het laat zich ook niet gek maken. Het toont prachtig porselein en puntgaaf houtsnijwerk naast zelfgebreide truien – bijna een gemene vergelijking. Want wat is een hype vergeleken bij eeuwen kunstgeschiedenis? En wat is ‘ambacht’ eigenlijk? Toch niet het ‘ambachtelijk gebakken oerbrood’ in de supermarkt?

De kunstgeschiedenis is helder over kwaliteit. De tentoonstelling bevat hand beschilderde majolicaborden uit de zestiende eeuw, met ivoor ingelegde vuurwapens uit de zeventiende eeuw, tingeglazuurde terrines met krullerige keramische vissen uit de achttiende eeuw, minutieus nagemaakte zeeslakken door negentiende-eeuwse Boheemse glasblazers, zo delicaat dat je er bijna niet naar durft te kijken.

Geen wonder dat het museum de hobbyhype van nu met argusogen bekijkt. Het heeft vijfhonderd meesterstukken ingedeeld in thema’s die expres alle clichés belichten – eerlijk, uniek, virtuoos.

Handgemaakte en volkomen gave zilverserviezen tonen een eeuwenlang streven naar foutloosheid, later ingehaald door industriële perfectie. Toch keren veel ambachtsfans zich van de industrie af, omdat foutjes ‘echter’ voelen. Hella Jongerius zet soms de keramiekoven nét iets verkeerd, zodat het resultaat meer handgemaakt oogt. En bij de middeleeuwse keramische kommetjes, waar vingerafdrukken en bepoteldheid onvermijdelijk zichtbaar waren, staat een eigentijdse champagnekoeler waar designer Alexander Pelikan expres vingerafdrukken toevoegde in het gietproces dat toch echt – sssjt – industrieel verloopt. Industrie en ambacht sluiten elkaar niet uit. De barokke kragen van kledingontwerper Iris van Herpen waren zonder technologisch geavanceerd textiel ondenkbaar.

Dus waarmee bereik je vakmanschap? Als Sennett met zijn tienduizend uur gelijk heeft, dan hebben vormgevers van nu een probleem. Zij hebben hun uren al besteed aan meer conceptuele academieopleidingen.

De bewonderde sculpturen van Harmen Brethouwer, opgebouwd uit onwaarschijnlijk fijn zilverfiligraan, besteedt hij uit aan vaklui in Portugal. Ook de geknoopte stoel van Marcel Wanders in het themahoekje ‘huisvlijt’ – zal hij misschien niet leuk vinden – knoopt hij niet zelf. Het is vermoedelijk ondergebracht bij huisvlijt om gevoelsmatige redenen; dit type macramétechniek past bij het retrorandje van veel ambachtsnostalgie.

Door dit uitbesteden blijven vormgevers toch conceptualisten – kunstenaars – die zo aansluiten op eerbiedwaardige tradities van kantklossen en tulpenvazen die op hun beurt weer bij de tijd lijken, in deze tentoonstelling die met leuke vergelijkingen en slimmigheidjes is ingericht.

Zo combineert de tentoonstelling bewondering met scepsis. Zoals de curator van de expositie terecht beweert in de stellingen die bij de expositie hangen: als alles weer met de hand moet, overleven we nog geen week. Om een röntgenapparaat of computernetwerk te ontwerpen, kun je wildbreien tot je een ons weegt. Daar zit méér werk in dan een luttele tienduizend uur.