Brazilië weet niet hoe het verder moet

Na jaren van groei hapert de economie van Brazilië. Economen wijten dat slechte infrastructuur, matig onderwijs en protectionisme.

Brazilianen verdienen meer geld dan ooit en de werkloosheid was nooit eerder zo laag als nu. Toch stagneert de economie en trekken investeerders weg. De industriële productie loopt terug, Brazilianen hebben grote schulden en de inflatie loopt al maanden op.

De regering van president Dilma Rousseff zoekt naarstig naar een oplossing om ondernemers gerust te stellen en investeerders te overtuigen hun geld niet weg te halen.

De economie van Brazilië (bijna 200 miljoen inwoners) groeide vorig jaar minder dan verwacht, zo blijkt uit de jongste cijfers van het IBGE, het nationaal bureau voor de statistiek. In 2012 nam het bruto binnenlands product met 0,9 procent toe, in plaats van de voorspelde 4,5 procent.

Het was geen complete verrassing: al maanden speculeren politici en economen over tegenvallende cijfers. De groei van het afgelopen decennium was voor een belangrijk deel te danken aan de toenemende vraag naar grondstoffen, vooral uit China. De export van onder andere suiker, soja en ijzererts verveertigvoudigde tussen 2000 en 2011. Met de vondst van een nieuwe, misschien wel de grootste olievoorraad ter wereld voor de kust van Rio de Janeiro, onderzochten buitenlandse investeerders gretig hun mogelijkheden.

Deze boom leidde tot een explosief groeiende middenklasse. De eigen bevolking, die voorheen te arm was om een stabiele thuismarkt te vormen, verdiende genoeg geld om spullen aan te schaffen die ze eerder nooit kon kopen: wasmachines, stofzuigers, televisies.

Ook Luiz Inácio ‘Lula’ da Silva, de vorige president (2003 - 2010), droeg hieraan bij. Onder zijn en de huidige regering steeg het minimumloon met bijna 300 procent. Met sociale programma’s bevorderde Lula bovendien het opleidingsniveau van de allerarmsten. Via het succesvolle bolsa familia krijgen arme gezinnen een uitkering, op voorwaarde dat ze hun kinderen laten vaccineren en naar school sturen. Een ander programma, minha casa minha vida (mijn huis mijn leven), helpt armen onder gunstige voorwaarden aan een huis.

Maar deze gouden tijd lijkt voorlopig voorbij. De nieuwe middenklasse, die inmiddels ruim 55 procent van de bevolking uitmaakt, groeit niet meer zo hard. Daarnaast zorgt de beschikbaarheid van krediet ervoor dat veel mensen die eigenlijk geen geld hebben, de afgelopen jaren toch zijn blijven consumeren. Van de nieuwe middenklasse heeft 40 procent schulden. Bovendien zijn velen uit de nieuwe middenklasse vaak slecht of niet geschoold, waardoor zij niet volwaardig inzetbaar zijn op de arbeidsmarkt.

„Onderwijs in Brazilië is van een slechte kwaliteit”, legt Silvia Matos, econoom aan de Getúlio Vargas Stichting, een invloedrijk economisch instituut, uit. „Het is een groot probleem. We hebben wel genoeg mensen, maar die zijn niet opgeleid. De generatie die via bolsa familia naar school gaat, laat nog even op zich wachten. Het is een belangrijke oorzaak van de stagnerende economische groei op dit moment.”

Een ander probleem is de slechte infrastructuur van Brazilië. „Wegen, spoorwegen, energiecentrales. Aan alles is een gebrek”, zegt econoom Eduardo Zilberman, universitair docent aan de katholieke universiteit PUC in Rio de Janeiro. „Het leidt tot een lagere productie, want zonder geschoold personeel en de juiste infrastructuur kunnen bedrijven simpelweg niet meer produceren.”

Dat is niet het enige. De concurrentiekracht van de Braziliaanse industrie neemt af, zo waarschuwde de Wereldbank vorige maand. Op het eerste gezicht doet Brazilië nog steeds goede zaken: de economie is divers en de export van goederen en diensten groeide tussen 2000 en 2010 met 300 procent. Maar in vergelijking met andere opkomende economieën als Rusland, India, China en Zuid-Afrika, blijft het land achter.

Ondernemers en economen wijzen dikwijls naar de regering van Dilma Rousseff als oorzaak van de stagnatie. Zij zou te protectionistisch zijn. Ook is er kritiek op de interventionistische koers van haar (en Lula’s) Arbeiderspartij. Rousseff greep in toen de Braziliaanse munt, de real, te sterk dreigde te worden en in januari verlaagde ze de energieprijzen. De bevolking juichte die maatregel toe, maar hij kostte de energiebedrijven miljarden dollars en schrikte investeerders af.

„Met deze regering stevenen we af op rampspoed”, zegt econoom Edmar Bacha, directeur van de denktank Casa das Garças in Rio de Janeiro en bekend criticus van de regering. „Afgelopen decennium kon Brazilië leunen op de grondstoffenboom. Nu het land op eigen benen moet staan, blijken die te kort.”

Als „verkeerd” hekelt Bacha de manier waarop de regering het staatsolieconcern Petrobras, het grootste bedrijf ten zuiden van de evenaar, als enige het recht gaf om de nieuw ontdekte olievelden te exploreren. Andere partijen mochten dat alleen via een partnerschap. „De regering gaf Petrobras een monopolie en smoorde zo alle concurrentie. Vervolgens werd het bedrijf ook verplicht het equipement om de olie te winnen in Brazilië te kopen, terwijl die spullen in het buitenland beter en goedkoper zijn.”

Brazilianen blijven ondertussen positief. In haar wekelijkse radioprogramma bejubelde Dilma Rousseff de vooruitgang en de vermindering van de extreme armoede. Zij dragen haar populariteit: 78 procent van de bevolking zegt haar te steunen. Economische terugval of niet.