Kapitalistische tantes

Dunne mensen en taart: de combinatie zorgt voor een van de gevaarlijkste denkfouten in het leven. Slaan dunne mensen het aanbod af van een stuk taart op verjaarspartijtjes, dan roepen alle tantes onveranderlijk hetzelfde. „Ach kom, eet toch taart. Jij bent zo verschrikkelijk dun, jij kunt het wel hebben.”

De denkfout van de tantes is wijdverbreid en je komt hem overal in de samenleving tegen. Op het gebied van veiligheid bijvoorbeeld. Heeft een bedrijf of een gehele industrie een hoog veiligheidsniveau bereikt, dan roepen alle tantes dat de teugels wel losser kunnen. Of ze zich nu voordoen als werknemers, managers, beleidsmakers of klanten: onveranderlijk zeggen de tantes dat het goedkoper, en dus onveiliger, kan. „Ach kom, laat maar zitten, dat ventiel. Het is hier zo verschrikkelijk veilig, dat kan beslist geen kwaad.”

De denkfout bestaat uit de gedachte dat de status quo geen inspanning behoeft. Je bent dun, dus dat zal je vanzelf altijd wel blijven. Het is veilig, daar komt vast en zeker nooit verandering in. We zijn rijk, dus we hoeven eigenlijk nooit meer te werken.

De grootste filosoof uit de Westerse geschiedenis, Lewis Carroll, heeft in 1865 laten zien dat er juist flink wat inspanning nodig is om op dezelfde plaats te blijven. In Alice in Spiegelland laat hij Alice in volle vaart voorthollen in gezelschap van de Zwarte Koningin. „Vlugger, vlugger”, roept de Koningin. Uiteindelijk rennen ze zo adembenemend hard dat ze gezamenlijk door de lucht scheren en de wind in hun oren horen fluiten. Tot ze plotseling stoppen om te rusten.

„Nee, maar” zegt Alice, verwonderd om zich heen kijkend. „Ik geloof dat we steeds onder deze boom zijn gebleven! Alles is nog precies als daarnet!” „Natuurlijk”, zegt de Koningin. „Wat had je dan gedacht?” Om op dezelfde plaats te blijven moet je nu eenmaal zo hard lopen als je kunt. Wil je vooruit, dan zul je minstens twee keer zo hard moeten gaan.

Voor managers, ondernemers en natuurkundigen lijkt dit gesneden koek. Het inzicht dat je twee keer zo hard moet als mogelijk is – relativiteitstheorie met een vleugje machismo – heeft in alle domeinen van de samenleving en de economie geleid tot druk op prestatie en productie. Een arts moet twee keer meer medische ingrepen verrichten dan verstandig is, een wetenschapper moet twee keer meer artikelen schrijven dan denkbaar is, de economie moet twee keer harder groeien dan haalbaar is. Gewoon twee keer zoveel van alles, dan gaan we vanzelf vooruit.

Twee keer zoveel medische ingrepen! Gaat die productieverhoging dan niet ten koste van de kwaliteit? Nee – en hier komen de tantes weer aan het woord – want het kwaliteitsniveau van de zorg is zo hoog, dat kan best wat lijen. Twee keer zoveel eten! Word ik daar dan niet heel dik van? Nee, want jij bent zo dun, jij kunt dat wel hebben.

Zo gaan we vooruit door onmogelijke prestaties te verrichten en we worden al doende steeds dikker, ongezonder en onveiliger. Simpelweg omdat we vergeten de inspanning te verrichten die nodig is om zo dun, gezond en veilig te blijven als we waren.

Ik geef toe, dit is een alarmistische analyse. Een paniekverhaal. Maar het is nog lang niet zo erg als het verhaal dat ik in het Duitse weekblad Die Zeit las, over de onverstandige hang naar groei. Journalist Wolfgang Uchatius had geen veroordelend stuk geschreven over dwangmatige productie, maar hij gaf nuchter alle maten en getallen. Aan het eind van de negentiende eeuw bezat een achttienjarige Duitser ongeveer dertig dingen, in de typische kamer van een hedendaagse achttienjarige staan vijfhonderd dingen. Daar zit weinig groei meer in, constateert Uchatius. Het huis is vol.

Duitse politici streven niettemin om het hardst naar twee keer zo veel eten. „Europa heeft meer economische groei nodig”, zegt Angela Merkel. En de SPD-kandidaat voor het kanseliersambt, Peer Steinbrück, zegt hetzelfde. „De groeicijfers van onze economie moeten weer gaan stijgen.” Als mensen nu maar steeds meer, steeds nieuwer en steeds duurder willen, komt alles vanzelf goed. Het probleem is alleen: ze willen niet.

De negentiende eeuwer was nog arbeider en consument tegelijk, schrijft Uchatius. En consumeren betekent verbruiken: kocht de arbeider een brood, dan at hij dat op. De consument van nu consumeert niet meer. Jaarlijks gooien Duitsers 6,7 miljoen ton levensmiddelen in de vuilnisbak en een miljoen ton computers, mobiele telefoons en laserprinters op de schroothoop. Als gevolg daarvan verdwijnt de energie langzaam uit het kapitalistische systeem. Er wordt minder gekocht. De groei stagneert. De achttienjarige Europeaan hangt liever rond met haar vrienden dan dat ze nog iets wil kopen en daarvoor wil werken.

De kapitalistische tantes proberen ons nog steeds wel aan te praten dat groei volstrekt verantwoord is, omdat we toch dun, gezond en veilig genoeg zijn. Maar nu de energie uit het systeem verdwijnt, en niemand nog hard wil werken, is het hameren op kwaliteit een stuk verstandiger en urgenter dan hameren op meer productie en prestatie. Liever veilig en gezond op dezelfde plaats blijven staan dan twee keer harder lopen dan we kunnen.

Maxim Februari is filosoof en schrijver.