Kabinetscrisis in november 2013 Oorzaak: de Eerste Kamer

Nog een half jaartje ofzo zal het goed gaan met de politieke koehandel over senaatsteun, meent D.J. Elzinga. Maar dan zijn de gemeenteraadsverkiezingen in aantocht.

Illustratie Pavel Constantin

Hans Wiegel heeft voorgesteld om enkele partijen toe te voegen aan het kabinet Rutte II. Dat zouden bijvoorbeeld het CDA en D66 kunnen zijn. De reconstructie van het kabinet zou een effectief einde kunnen maken aan de politieke koehandel die nu plaats vindt om steun in de Eerste Kamer te verwerven. Ook in de Eerste Kamer zou het kabinet dan kunnen beschikken over een comfortabele meerderheid.

Op het eerste oog lijkt de figuur van de oud VVD-leider een eyeopener en een begaanbare route om uit de problemen te komen. Wiegel weet zelf echter ook wel dat zijn voorstel niet zal worden gerealiseerd. Als er geen directe aanleiding voor is, hebben dergelijke tussentijdse reconstructies van kabinetten een enorm politiek gezichtsverlies tot gevolg.

Mark Rutte en Diederik Samsom zouden dan deemoedig moeten erkennen dat ze bij de kabinetsformatie een inschattingsfout hebben gemaakt. Ze hebben het beeld voor ogen gehad dat de Eerste Kamer een rustige en evenwichtige politiek zou gaan voeren, maar daar is in de senaat al jaren geen sprake meer van. In 1983 is de verkiezingswijze voor de senaat gewijzigd en wel in die zin dat nu na de verkiezing van provinciale staten de Eerste Kamer in zijn geheel wordt vervangen. De Kamer is daarmee een directe afspiegeling gaan tonen van de politieke verhoudingen. Om die reden is tegenwoordig bij vrijwel iedere verkiezing van provinciale staten de vraag belangrijk hoe de samenstelling van de Eerste Kamer zal gaan worden.

In 1987 spande het er voor het eerst om. Zou het kabinet-Lubbers II een meerderheid in de senaat halen? Dat lukte op het nippertje: 38 zetels. Ook tijdens de paarse kabinetten-Kok spande het er om. Bij het kabinet-Rutte I moest een SGP-senator uitkomst brengen. En nu bij het kabinet-Rutte II zijn er zelfs meerdere oppositiefracties nodig voor het kabinet om een meerderheid te halen.

Nog een half jaar zal de huidige koehandel om senaatsteun te verwerven goed blijven gaan. Zo hier en daar zal een kabinetsvoorstel sneuvelen. Een enkel voorstel zal worden teruggenomen. Op enkele onderdelen zal met niet-regeringspartijen overeenstemming worden bereikt.

Na de zomer van 2013 wordt het echter menens. Enkele grote dossiers die in 2014 en later een miljardenbezuiniging moeten opleveren, zijn dan de Tweede Kamer gepasseerd en op weg naar de Eerste Kamer. Na de zomer van 2013 begint tevens de politieke hooibroei van de gemeenteraadsverkiezingen van maart 2014.

Om het politieke lijf te redden zullen lokale bestuurders en raadsleden van PvdA en VVD afstand nemen van de barse marsroutes uit het regeerakkoord. Een deel van de miljardenbezuinigingen zal uit de gemeentelijke potten moeten komen. De landelijke oppositiepartijen zullen hun plaatselijke vrienden stimuleren om de verantwoordelijkheid daarvoor neer te leggen bij PvdA en VVD. Tijdens die aanloop naar de raadsverkiezing buigt de Eerste Kamer zich over de wetsvoorstellen tot decentralisatie van de zorg van staatssecretaris Van Rijn en de daaraan gekoppelde voorstellen van minister Plasterk om de gemeenten op te schalen of te laten samenwerken op het niveau van 100.000 en meer inwoners.

In het zorgdossier moeten ettelijke miljarden worden binnengetikt. De gemeenten worden verantwoordelijk gehouden voor de zorgreductie en dragen alle financiële risico’s van dien.

Bij bezwaren van burgers en organisaties zullen de meeste gemeenten daarop geen antwoord kunnen geven, want honderden gemeenten gaan er niet zelf over. Ze zijn immers vanwege de 100.00 plus -eis uitgeleverd aan de samenwerking met buurgemeenten.

Een gevaarlijker politieke cocktail is nauwelijks te bedenken. Diverse senaatsfracties hebben al aangekondigd dat ze hun hoofd niet in deze strop zullen steken. In november 2013 is er dan ook een kabinetscrisis, waarbij moet worden bezien of de formule van Hans Wiegel toepasbaar zou kunnen zijn.

D.J. Elzinga is hoogleraar staatsrecht aan de Rijksuniversiteit Groningen.