Column

Het eerzame clownsvak als factor in de politiek

Het was niet alleen een diplomatiek incidentje, maar ook een klassiek staaltje slapstick, te mooi om niet nog even bij stil te staan. In de hoofdrollen: het chaotische Italië, dat aan de grond zit en maar niet wil deugen, en het machtige Duitsland, dat het streng en hoofdschuddend aanziet, maar struikelt over zijn eigen benen.

Kort nadat meer dan de helft van de Italiaanse kiezers op Silvio Berlusconi of Beppe Grillo had gestemd, zei de Duitse politicus Peer Steinbrück met een ernstig gezicht: „Ik ben ontsteld over de verkiezingsuitslag in Italië: twee clowns hebben gewonnen.” Een kind kon zien dat het waar was. Maar dat wil nog niet zeggen dat de voorman en kanselierskandidaat van de SPD het ook zo maar kan zéggen.

De Italiaanse president Napolitano – 87 jaar oud en zeker geen schertsfiguur – zegde prompt een diner met zijn politieke geestverwant Steinbrück af. En één van de clowns zelf, Grillo, met de schmink bij wijze van spreken nog op zijn wangen, stoof verontwaardigd op: Clowns? Hoe haalde Steinbrück het in zijn hoofd? Dit was „een belediging van alle Italianen”!

De onhandige Steinbrück kon nóg zoveel gelijk hebben, in het politieke circus was hij het nu die met zijn neus in het zaagsel lag. Zijn afgang was compleet toen ook nog een heuse circusdirecteur zich ermee ging bemoeien. „Een circusclown is geen idioot die op het niveau van Berlusconi geplaatst kan worden”, zei Bernhard Paul van Circus Roncalli tegen persbureau DPA. Hoe had Steinbrück het eerzame clownsvak in verband kunnen te brengen met zoiets plats als bunga bunga?

Ook de grote Italiaanse theatermaker en schrijver Dario Fo, in 1997 bekroond met de Nobelprijs voor de literatuur, vraagt respect voor het clownsvak. Fo, in Nederland al jaren geliefd om zijn sprankelende uitvoeringen van opera’s van Rossini, is een aanhanger van Grillo. In een interview met Die Zeit wijst hij op de respectabele traditie van komedie, satire en het groteske in de Italiaanse cultuur en politiek. Het volk, zegt hij, beschouwt clowns als hulp bij pogingen te begrijpen en te kiezen.

Volgens Fo vindt Grillo het geen enkel probleem een clown genoemd te worden („een schoenmaker een schoenmaker noemen is ook geen belediging”). Maar op één lijn gesteld te worden met Berlusconi, tegen wie hij zich altijd juist zo heeft afgezet, dat gaat hem wél te ver.

Maar wat heeft Grillo zijn kiezers, het hooggeëerde publiek, eigenlijk helpen begrijpen? Dat alle politici moeten oprotten, omdat ze het land aan de rand van de afgrond hebben gebracht? Alle politici? Dat is een cynische leugen en, erger voor een clown, niet grappig ook.

Dario Fo hoont de gematigde hervormer Monti om „zijn das, zijn donkere pak en zijn deftige gedoe”. Eén grote maskerade, zegt de theaterman, om het kwaad te verbergen dat de politiek heeft aangericht.

Het lijkt nogal een tegenspraak: eerst boos worden als Grillo met Berlusconi over één kam wordt geschoren, en vervolgens wel de brave Monti met Berlusconi op één hoop gooien. Maar in het domein van de clowns en narren hebben logica en redelijkheid nu eenmaal een beperkte waarde. En wie Grillo verwijt dat hij het Italiaanse volk geen enkel perspectief biedt, moet erkennen dat Monti de Italianen evenmin iets bood waarin zij konden geloven.

Wat Grillo zijn kiezers waarschijnlijk vooral heeft helpen begrijpen, is dat ze van het huidige democratische politieke systeem weinig – of in de taal van het theater: niets – kunnen verwachten. Dat miljoenen er toch nog zo veel vertrouwen in hebben dat ze naar de stembus zijn gekomen om hun klacht te laten horen, is nog een klein lichtpuntje.

Talloze kiezers in Europa hebben het democratische politieke systeem al helemaal opgegeven, zij geloven niet meer dat het nog enige zin heeft te gaan stemmen. Dat zou de Steinbrücks van de wereld zeker zo veel zorgen moeten baren als de populariteit van de clowns.