Geef mij de omerta maar terug

‘Spijt, spijt, wat nou spijt? Ik heb toch drie keer gezegd dat ik spijt heb? Dat ik bij die cultuur hoorde, dat ik nooit wat heb gezegd, en dat het me spijt dat ik net in die tijd wielrenner was.

„Wat willen jullie dan? Dat ik in huilen uitbarst? Dat ik op mijn knieën beloof dat ik het nooit meer zal doen? Nou, ik zal het nooit meer doen, hoor.

„Die minister, die Schippers, die nou roept dat ik alles moet vertellen, dat ik verplicht ben alle details te onthullen. Jullie willen dat ook, geloof ik. Hoezo verplicht? Heeft je moeder je dan nooit geleerd dat je niet mag klikken? Heb je dat nooit gezongen: ‘Klikspaan, boterspaan, je mag niet door m’n straatje gaan’?

„Trouwens, die Schippers is toch van de VVD? Heb je gehoord over die Van Rey? En die Hermans van Meavita en zo? Heeft er een puinhoop van gemaakt. Maar zag je die VVD’ers van de week op tv? Geen woord wilden ze erover zeggen, negeren die microfoon, nee u moet niet bij mij zijn. Hoor je ze ooit over die fractieleider die gefraudeerd heeft en spoorloos is? Nee, dan praten ze niet.

„Je moet maar eens lezen wat Steven Rooks heeft gezegd. In dat nieuwe boek, 1988 het glorieuze sportjaar. Staat Steven gewoon in hoor, als held, hoewel hij allang doping heeft bekend. Zegt goeie dingen trouwens, die Steven.

„Maar ik deug nu opeens niet meer. Laat mij maar naar de kloten gaan. Oké, ik heb gelogen. Maar stel dat jij al tien jaar plagiaat pleegt, net als de meeste journalisten trouwens, en niemand heeft het door, ga je het dan vertellen? Nee? Nou dan!

„Weet je waar ik spijt van heb? Dat ik niet wat slimmer heb gepakt. Ik ben tweemaal tweede in Luik-Bastenaken-Luik geworden en ook tweemaal in de Ronde van Lombardije. Achter Vandenbroucke, Rebellin, Camenzind en Cunego. Duidelijk, niet? Of snap je het nou nog niet?

„Weet je wat me echt spijt? Dat ik heb moeten zeggen dat ik spijt heb. Ik heb er spijt van dat ik heb moeten bekennen. Bij die zogenaamde dopingautoriteiten die nooit iets hebben gevonden.

„Geef mij de omerta maar terug. Was nog wel zo rustig.”

John Kroon