Een typisch Nederlands fenomeen: voor alles een commissie

Ze doemen op bij rampen of bij complexe vragen: commissies. Het moesten er minder worden, maar geen minister wil of kan zonder. „Het hoort bij onze bestuurscultuur van wikken en wegen, schikken en plooien.”

Illustratie Roland Blokhuizen en Fokke Gerritsma

Ze waren er klaar mee in Den Haag. Bijna negen jaar geleden schaarde de Tweede Kamer zich unaniem achter een motie die het kabinet opriep het aantal ad-hoccommissies „tot een minimum” te beperken. Aanleiding was de initiatiefnota De Schaduwmacht – de invloed van politieke commissies van GroenLinks-Kamerlid Wijnand Duyvendak waarin stond dat commissies het democratisch proces vertraagden. „Politici moeten zelf keuzes maken en verdedigen”, stelde hij. Niet veel later, in 2005, zei Alexander Pechtold (D66) als minister van Bestuurlijke Vernieuwing „gek” te worden van alle adviesrapporten die commissies produceerden. „Het is volkomen uit de hand gelopen.”

Maar van het voornemen om minder onderzoeks- en adviescommissies in te stellen, is niets terechtgekomen. Het aantal is juist gestegen. De afgelopen zeven jaar werden er gemiddeld 34 commissies per jaar ingesteld, blijkt uit onderzoek van NRC Handelsblad. In de tien jaar daarvoor waren dat er nog 29. Het kabinet-Balkenende IV bracht de meeste voort, gemiddeld meer dan 40 per jaar.

Nederland Commissieland. Dat bleek afgelopen week weer eens. Minister Jeroen Dijsselbloem (Financiën, PvdA) tuigde de Evaluatiecommissie nationalisatie SNS Reaal op. Collega Ronald Plasterk (Binnenlandse Zaken, PvdA) kondigde een commissie aan die zich over elektronisch stemmen gaat buigen. Een déjà vu, zijn voorganger Atzo Nicolaï deed in 2006 namelijk precies hetzelfde. En staatssecretaris Sharon Dijksma (Economische Zaken, PvdA) besloot woensdag tot een ‘werkgroep voedselfraude’. „Praten in plaats van maatregelen? Slap: weer #polderoplossing”, liet D66-Kamerlid Gerard Schouw zich via Twitter ontvallen.

De een loopt met commissies weg omdat ze een cruciale schakel vormen in politiek-bestuurlijk Nederland. De ander verfoeit ze en vindt dat politici commissies voor ieder wissewasje optuigen, gebruiken om problemen te parkeren en verantwoordelijkheid af te schuiven. Bovendien worden ze bemand door de elite van bestuurlijk Nederland. Maar dat de Nederlandse politiek ze graag gebruikt, daar is iedereen het over eens.

„Harde cijfers uit het buitenland heb ik niet, maar ik durf te zeggen dat Nederland met zijn commissies met kop en schouders boven andere landen uitsteekt”, zegt politicoloog Nico Baakman van de universiteit Maastricht. „Het is absoluut een Nederlands fenomeen. Het hoort echt bij onze bestuurscultuur van wikken en wegen, schikken en plooien en het zoeken naar breed maatschappelijk draagvlak”, bevestigt Pieter de Jong, adviseur van de Raad voor het Openbaar Bestuur.

Of ze nu taskforce, stuurgroep, werkgroep of commissie genoemd worden: het stramien is vrijwel altijd hetzelfde. Er is een heikele politieke kwestie (van pensioenen tot de jeugdzorg) waarvoor beleid moet worden bedacht. Of er is een ‘ramp’ (SNS, cafébrand in Volendam) gebeurd die onderzocht en in de toekomst voorkomen moet worden. Geregeld speelt ook de verantwoordelijkheidskwestie een rol en is ‘men’ in het publieke debat op zoek naar schuldigen. Het recept is dat de minister een commissie van ‘wijzen’ onderzoek laat doen. Die presenteert daarna een eindrapport, dat haalt de media, politici volgen al dan niet de adviezen op en men gaat over tot de orde van de dag.

Een commissie is soms een prima bliksemafleider. Dat geldt ook voor de commissie-Cohen die vrijdag haar conclusies presenteerde. Terwijl het glas in Haren nog op straat lag en men zich in de ogen wreef om wat was gebeurd, werd de dag na de rellen al de commissie-Cohen ingesteld. Discussies over de rol van de verantwoordelijke bestuurders werden met succes maanden uitgesteld. „Het instellen van zo’n commissie haalt de angel uit de discussie. Die rellen maken veel emoties los, de media duiken erop en iedereen wil weten wie schuldig is”, zegt De Jong van de Raad voor het Openbaar Bestuur. „De commissie dient dan als bliksemafleider.”

Het jaar 2006, een jaar na Duyvendaks nota, bewees dat het ook anders kan. Toen bereikte het aantal commissies plotseling een dieptepunt. „Ministers werden in de ministerraad ook echt aangesproken op het feit dat er weer een commissie bij was gekomen”, herinnert D66-fractievoorzitter Alexander Pechtold zich die van 2005 tot 2006 minister was. „Mede ook dankzij Gerrit Zalm was er toen alertheid tot op ministersniveau. Ik werd daarop ook echt gecontroleerd door de Kamer.”

Zo staat het ook Duyvendak bij. „Mijn initiatiefnota had tot mijn verrassing behoorlijke impact destijds. Het werd een gepolitiseerd onderwerp en je merkte de eerste twee jaar echt terughoudendheid. Als de regering een commissie instelde, moest het wel goed zijn.”

Dat het aantal commissies onder Balkenende IV weer een vlucht nam, verklaren beiden onder meer door de stroeve verhoudingen in dat kabinet. „Op een aantal terreinen was er een politieke impasse, dan is de commissie een smeermiddel waarmee je uitstel van beslissingen koopt en waarvan je hoopt dat het advies de impasse doorbreekt”, zegt Duyvendak. „Bij Balkenende IV kwamen er weer veel meer commissies. Zalm en ik waren weg en de PvdA grossiert juist in dit soort commissies, zeker als er politiek gedoe is, zoals toen met het CDA”, zegt Pechtold.

Uit het NRC-onderzoek blijkt het bestaan van een aantal ‘commissietijgers’. Met het lidmaatschap van zeven commissies prijkt Pauline Meurs op de eerste plaats. Meurs was tot begin dit jaar PvdA-senator en is hoogleraar bestuur van de gezondheidszorg aan de Erasmus Universiteit. Eind vorig jaar bracht de commissie-Meurs een invloedrijk rapport uit over het inkomen van medisch specialisten. Van een wildgroei aan commissies wil ze niet weten. „Ik heb niet het idee dat voor ieder wissewasje een commissie wordt opgetuigd. Alle commissies waar ik aan deel heb genomen gingen over ingewikkelde kwesties.”

Meurs wordt op de voet gevolgd door bestuurlijke zwaargewichten als Hans Smits, Alexander Rinnooy Kan, Wim Deetman, Hans Alders en Annemarie Jorritsma. Duyvendak vindt dat opmerkelijk. „Alders, Deetman, Rinnooy Kan: dat zijn dezelfde namen als toen ik mijn onderzoek negen jaar geleden deed. Het zijn de politieke loodgieters van Nederland.”

Duyvendak ziet een old boys netwerk van politici die klusjes voor elkaar opknappen. Volgens hem worden commissies vaak ingesteld om een vorm van pacificatie te bereiken en daar worden mensen bij gezocht die het conflict kleiner maken en niet groter.

Pechtold noemt de commissie-Deetman – overigens ingesteld door de kerk – als voorbeeld van een commissie die maar blijft bestaan. „Ik wil helemaal niet zeggen dat je nooit commissies moet oprichten, maar het moet vooral duidelijk zijn wat hun opdracht is en wat het begin en het einde is”, aldus Pechtold. Vanmiddag presenteerde Deetman een vervolgonderzoek: nu naar het misbruik van meisjes in de Kerk.

Commissieleden bezitten volgens adviseur De Jong in de regel bewezen ‘poldervaardigheden’. „Ze beschikken over een grote bestuurlijke intelligentie, weten welke belangen spelen en verenigen die. Het is dus niet vreemd dat steeds dezelfde types terugkomen.”

Het verleden laat zien dat het er nogal toe doet wie je voor een commissie vraagt. De politieke intuïtie van een voorzitter is van groot belang om het advies goed te laten ‘landen’. Als een advies te hard is, gaat het bijna ongezien de prullenbak in. Voorzitter Rieke Samson spaarde in haar onderzoek de Jeugdzorg door conclusies van betrokken wetenschappers te verzachten. Ze moest wel vond ze. „Als ze [de Jeugdzorg, red.] dan in een hoekje gaan zitten, gebeurt er niets voor al die kinderen”, zei ze in deze krant in reactie op kritiek van die wetenschappers.

Oud-rechter Willibrord Davids had veel minder compassie toen hij moest oordelen over de Nederlandse betrokkenheid in de Irak-oorlog. „Soms vergist men zich in de keuze van een voorzitter. Davids was niet eens bereid om de conclusies eerder aan de betrokken politici te laten lezen. Toen was toenmalig premier Balkenende feitelijk gedwongen om – voordat iemand het rapport goed had kunnen lezen – direct te zeggen dat de conclusies niet deugden”, zegt politicoloog Baakman. Volgens hem heeft Haren niet voor Cohen gekozen vanwege zijn kennis van Facebook. Noch vanwege zijn kennis van rellen. „Je benoemt een voorzitter als Cohen omdat je weet dat hij met bruikbare, politiek hanteerbare adviezen komt.”

De gegevens voor dit onderzoek zijn verzameld door Marca Schrap.