Wees innovatief, wees burgerlijk

De belangrijkste factor voor de enorme economische groei na 1800 was het ontstaan van een deugdzame burgerij met bewondering voor innovatie. Dat begon in Nederland, vindt Deirdre N. McCloskey.

In onze tijd van het moderne kapitalisme – of beter gezegd: onze ‘tijd van de marktbeproefde innovatie’ – kan een mens deugdzaam leven. Anthonie van Leeuwenhoek, microbioloog, deed het in 1673, Willem Johan Kolff, uitvinder van de kunstnier, deed het in 1943. En in onze innovatiegekke maatschappij doet u het waarschijnlijk ook – tenminste, als uw geest burgerlijk genoeg is en u er genoeg lof voor krijgt.

U verzint bijvoorbeeld een nieuw gebruik van uw e-mail of uw auto. U verhuist uw garen-en-bandwinkel naar de Haarlemmermeer; het succes bewijst dat dit een goed idee was voor de klanten en uzelf. U verzint het slingeruurwerk of de nierdialyse en vraagt op geen van beide patent aan.

In weerwil van de spot van links en rechts kan een burgerlijk leven zakelijk gesproken de zeven hoofddeugden etaleren: bedachtzaamheid natuurlijk, maar ook hoop, moed, rechtvaardigheid en matigheid. En in zijn beste vorm vertoont een burgerlijk leven ook naastenliefde en geloof – in de bankier in een kleine stad die van zijn klanten houdt en in zijn identiteit van de ‘goede kapitalist’ gelooft.

Van rechts kan de burgerij worden gecorrumpeerd door de praktisch ingestelde, alleen maar voorzichtige praat van economen en rekenaars. „Wees hard en alleen behoedzaam”, fluisteren zij. In Amerikaanse sporttaal: „Aardige jongens eindigen het laatst”. Ook kan ze worden ontmoedigd door de weeë praatjes van gematigd linkse progressieven die het alleen over rechtvaardigheid hebben, of door de harde taal van extreemlinkse revolutionairen die alleen over hoop praten. Of door de reactionaire en autoritaire praat over moed van extreemrechtse ijzervreters. ‘Mensen, geen winsten!’ ‘Aux barricades!’ ‘Love it or leave it!’

Maar ondanks dergelijk gemompel van de intelligentsia sinds 1848 leidt de burgerij in de late ‘tijd van de marktbeproefde innovatie’ grotendeels een evenwichtig deugdzaam leven, niet alleen maar van behoedzaamheid in de zin van ‘hebzucht is goed’.

Honderdduizend jaar lang leidden wij helaas een leven van 3 dollar per dag waarin we bijlen maakten en schapen hoedden en akkers ploegden, met weinig ruimte voor deugd. Na twee eeuwen van plotselinge burgerlijke innovatie leiden we nu een leven van 30 tot 140 dollar per dag, met supermarkten en computers, hoogleraren aan de Erasmus Universiteit en haute cuisine te Oud-Sluis.

Hoe hebben we sinds 1800 van een geleidelijk stijgende economische grafiek plotseling een sprong omhoog gemaakt?

De gebruikelijke verklaringen gaan mank aan het feit dat uitbuiting, handel, bankieren, eigendomsrecht en investeringen al oeroud zijn, maar dat de Sprong Omhoog zich in de oudheid niet voltrok. Verrassend weinig van onze moderne verrijking is te verklaren door de gangbare materialistische oorzaken: niet de handel, veranderde wetgeving, investering of uitbuiting, of zelfs de protestantse spaarzaamheid.

Wat wel lijkt te werken is een verhaal over de geheel nieuwe stimulering van burgerlijke innovatie. Nadat de burgerij omstreeks 1700 voor het eerst in de menselijke geschiedenis op grote schaal vrijheid en waardigheid verwierf en daarmee de geschiedenis radicaal had veranderd. We moeten kijken naar de vernieuwende activiteiten van de stedelijke middenklasse, het hogere middensegment, de bourgeoisie, en dan vooral naar de veranderende houding tegenover zulke mensen en hun zakendoen.

In 1700 maakte in de kleine steden aan de Noordzeekust een vijfde of een kwart van de inwoners de dienst uit. In wereldsteden, van Chicago tot Shanghai, is dit nog steeds zo. Zo noemen de meeste Amerikanen zich tegenwoordig ‘middenklasse’ en beloopt dit getal zelfs in het klassebewuste Frankrijk en Groot-Brittannië bijna 40 procent. Maar de moderniteit staat of valt niet alleen met het bezit van een grote klasse die zich burgerij noemt. De burgerij van Carthago, Venetië, Osaka en Lübeck was binnen haar grenzen immer ook groot, maar ze schiep niet de moderne wereld.

Ook is alleen stedenbouw niet genoeg. Lang voor West-Europa hadden de Chinezen al enorme steden, maar zakendoen oogstte in hun beschaving geen bewondering. Daar draait het om: waardigheid voor het zakendoen, of zakenmensen die gewicht of macht bezitten. De pure omvang van de burgerij maakt dan ook niet zoveel uit. Het gaat om de opvallend nieuwe welwillendheid tegenover innovaties – de innovaties die vervolgens tot gevolg hadden dat de economische taart voor iedereen groeide, welwillend of niet, en vergeleken bij de eerdere omvang per hoofd van de bevolking met verbijsterende stijgingspercentages toenam. Imperialisme, handel en besparingen kunnen stijgingen van bijvoorbeeld 50 of zelfs 100 procent verklaren. Maar niet van 9.900 procent.

Natuurlijk hebben de burgerlijke notabelen in de geschiedenis van de steden helaas ook herhaaldelijk het plaatselijke bestuur gekaapt, met het oogmerk om zonder innovatie winst te maken. Dit gebeurde in Nederland in de achttiende eeuw en het hield lang aan. Het gevaar van een protectionistische machtselite is altijd aanwezig – dat was een traditionele aristocratie tenslotte ook. In 1311 betaalde u aan uw heer en meester of hij sneed u de keel af. In 1511 maakte u in Florence laken zoals het gilde dit voorschreef, anders kwamen zware jongens uw winkel kort en klein slaan. In Japan opende u in 2011 geen warenhuizen die met inefficiënte kleine winkeliers concurreerden, anders ging u naar de gevangenis. U geeft 1,5 biljoen dollar belastingverlaging aan de rijkste Amerikanen, die hiertoe (tegen verrassend bescheiden prijzen) het Congres hebben omgekocht.

Dat de wereld tussen 1600 en 1848 als een bezetene aan het innoveren sloeg, kwam door de langzaam veranderende denkbeelden over de stedelijke middenklasse en over haar materiële en institutionele innovaties. Een klasse die lang was geminacht door baronnen en bisschoppen en die stagneerde door de regelgeving van de eigen gilden, stadsbesturen en knusse monopolies, werd vanaf 1600 tot op de dag van vandaag gekoesterd – althans gemeten naar de maatstaf van de onverzoenlijke minachting van voorheen. En toen na omstreeks 1600 de Amsterdammers, en na omstreeks 1700 de mensen uit Londen en Boston gingen innoveren, gingen meer mensen hen bewonderen. Met andere woorden: een nieuw gekoesterde burgerij, groot of klein, gaf mensen een andere kijk op de economie. Ook al werd de stedelijke innovatie soms gesmoord door reactie, protectie, regelgeving en vreemdelingenhaat – luister goed, Nederlanders van 2013.

Dit nieuwe koesteren van de burgerij, een nieuwe waardigheid en vrijheid voor gewone mensen, van wie overigens maar weinigen iets bezaten om te koesteren, was een verandering. Die was aanvankelijk alleen te zien in Noordwest-Europa, en dan in de manier waarop mensen de zeven oude deugden op het economisch gedrag toepasten: voorzichtigheid, rechtvaardigheid, moed, matigheid, geloof, hoop en liefde. Min of meer goedschiks aanvaardde de bevolking rond de Noordzee gaandeweg het drama van de innovatie, tot uitdrukking gebracht in het burgerlijk akkoord: ‘U laat mij, een burgerij, in het eerste bedrijf creatieve destructie plegen en in het derde bedrijf van het economische toneelstuk maak ik u allemaal rijk’. En zo geschiedde. Daarna volgde Europa als geheel en ook zijn uitlopers, en ten slotte in onze tijd China en India. De meeste mensen gingen voor het eerst creatieve destructie als juist beschouwen – ze reageerden er moedig op en streefden er hoopvol naar. De meeste mensen, behalve de verbolgen intelligentsia van kunstenaars en intellectuelen (en deze ook pas na 1848), gingen de burgerij veel minder verafschuwen dan hun voorouders zo lang hadden gedaan. Velen gingen haar zelfs beminnen.

De zakelijke versie van moed en hoop, ‘onderneming’ geheten, kwam – zonder al te veel monopolie – in aanzien. De zakelijke versie van rechtvaardigheid en matigheid, ‘eerlijke handel’ genaamd, werd zelfs – zonder al te veel vals spel – kenmerkend voor de internationale handel. De zakelijke versie van geloof en rechtvaardigheid, ‘vertrouwen’ geheten, maakte – zonder al te veel afgunst – ondenkbare innovaties mogelijk. Rijke mensen gingen zich om het milieu bekommeren en er iets aan doen. Kijk om u heen: fotosynthese, goedkoop staal, spiegelglas, schoon water, machinaal textiel, creditcardaankopen, hoger onderwijs.

En uw eigen beste ik, mijne soete Nederlandse: een brave burgerij.

Dit is een ingekort stuk van Deirdre N. McCloskey, econoom en historica aan de universiteit van Illinois. Deze week sprak ze over de burgerij bij het Soeterbeeck Programma van het Centrum voor Ethiek van de Radboud Universiteit Nijmegen.